Titel
H. 2 Persoonlijke Identiteit en Persoonlijke Onsterfelijkheid
Geplaatst door
Grondslagen van survival onderzoek
Samenvatting
Hoofdstuk 2, Persoonlijke identiteit en persoonlijke onsterfelijkheid, van de verhandeling 'Filosofische grondslagen van empirisch onderzoek naar leven na de dood' van drs. Titus Rivas
Tekst
Hoofdstuk 2. Persoonlijke Identiteit en Persoonlijke Onsterfelijkheid



The only coherent view of the self and if its identity through time is one which recognizes the reality of its subjectivity and the consequences for our notion of personal identity which follow from this. Geoffrey Madell, Personal Identity and the Mind-Body Problem.

2.1 Inleiding
Alvorens men de these van persoonlijke onsterfelijkheid kan begrijpen, zal men moeten stilstaan bij het vraagstuk van de persoonlijke identiteit. Persoonlijke onsterfelijkheid na een aards leven is namelijk alleen denkbaar als er tijdens dat leven sprake is geweest van persoonlijke identiteit. Als er tijdens dat leven geen sprake is van een persoon die zichzelf in de loop der tijd op een wezenlijke manier gelijk blijft, dan is het zinloos om te vragen naar persoonlijke onsterfelijkheid. In dit hoofdstuk vragen we ons dus twee dingen af:
(1) Wat bedoelen we in deze context als we spreken van persoon?
(2) Wat bedoelen we met identiteit van die persoon tijdens een aards leven?

2.2 Persoon
Het woord "persoon" (dat wil zeggen "persona") betekende oorspronkelijk in het Latijn onder
meer "masker". Het huidige gebruik van deze term is verre van eenduidig. Zo kan men er bijvoorbeeld "mens", "individu" en zelfs "lichaam" ("How did he dare touch your person?") mee bedoelen. Hoe men filosofisch de term "persoon" definieert, heeft enorme consequenties voor het algemene wereld- en zelfbeeld. Het is dan ook zaak hier uiterst voorzichtig in te zijn.

De common-sense opvatting van de "persoon" is, tenminste in het Westen, die van een wezen dat half geest half lichaam is, maar dat die twee elementen toch intrinsiek in zich verbindt. Grof gesteld kan men zeggen dat dit overeen komt met peripatetische en "holistische" visies op de mens.
Een meer psychologische opvatting van "personen" legt de nadruk op bepaalde psychische kenmerken zoals zelfbewustzijn en het vermogen tot redelijk denken en verantwoord handelen.
De definitie van "persoon" die ik hanteer vertrekt echter expliciet vanuit de cartesiaanse traditie (d.w.z. van Renť Descartes). "Persoon" definieer ik hier dus uitsluitend als het geestelijk subject dat aan alles kan twijfelen behalve aan zijn eigen bestaan als subject. Alles wat subject is, met andere woorden ervaringen heeft van welke aard dan ook, is voor mij een persoon. "Persoon" wordt dus door mij in dezen gebruikt als synoniem voor "subject", in de betekenis van psychisch "ervaarder".
Dit heeft in dit verband nuttige gevolgen. Het hebben van een lichaam behoort in deze definitie niet noodzakelijk, dat wil zeggen tautologisch, tot het zijn van een persoon. De mogelijkheid tot het hebben van ervaringen echter wel. Evenmin is het noodzakelijk om redelijk te kunnen denken of zich van zichzelf bewust te zijn om in mijn taalgebruik "persoon" te mogen heten. Ook al is er bij een subject slechts sprake van volstrekt irrationele, chaotische gedachten of gevoelens, en ook al is er bij een subject zelfs niet het flauwste zelfbesef, het feit alleen dat het subject is, maakt het in deze definitie noodzakelijk het als "persoon" te betitelen. Zelfs als een wezen enkel maar het vermogen zou bezitten om bijvoorbeeld een hoge C te horen en verder niets zou kunnen denken, willen, voelen of waarnemen, dan zou dat merkwaardige wezen reeds een subject zijn en dus als "persoon" gelden in mijn definitie.
Het interessante gevolg hiervan is dat we ons in onze beschouwing niet hoeven te beperken tot menselijke personen. Ook bewuste dieren en eventuele subjectieve wezens van andere planeten of wat dies meer zij, heten dus in dit verband "personen". Alle conclusies die in deze scriptie worden getrokken zijn dan ook direct op alle mogelijke personen, en niet slechts op mensen, van toepassing. In ieder geval zullen zij voor zeer veel of alle soorten gewervelde dieren gelden.

2.2.1 Legitimering van de "cartesiaanse" terminologie
Wat is nu mijn rechtvaardiging voor een cartesiaanse bepaling van "persoon" in plaats van een aristotelische? Is hier geen sprake van "begging the question", van petitio principii? Ik meen dat hier totaal geen sprake van is. Ik ben hier namelijk vanzelfsprekend niet geÔnteresseerd in een (eventuele) andere an geestelijke "persoon". De vraag naar persoonlijke identiteit in eigenlijke zin, is dus voor mij gelijk aan de vraag naar persoonlijke identiteit in geestelijke zin. Dat laat de beantwoording van die vraag echter vooralsnog open en leidt dus niet tot een drogredenering. Dit uitgangspunt zou dus in principe nog wel degelijk kunnen voeren tot een conclusie dat de persoonlijke identiteit in deze zin afhankelijk is van lichamelijke identiteit.
Wil men echter niet denken over de persoon in geestelijke zin, maar enkel als peripatetisch "holon", dan is er wŤl sprake van begging the question. Men sluit ten onrechte bij voorbaat een positief antwoord binnen de hier behandelde discussie uit, zonder dat men echt aantoont dat het geestelijke in een persoon niet nauwkeurig onderscheiden kan worden van het lichamelijke. Men gaat er domweg vanuit dat er een onverbrekelijke eenheid zou bestaan zonder die te beargumenteren.

2.3 Persoonlijke identiteit
Rond het begrip "identiteit van de persoon" is in de filosofie een groot misverstand ontstaan, wat waarschijnlijk voortkomt uit het dagelijkse taalgebruik met betrekking tot de term "identiteit". Zo spreekt men bijvoorbeeld van een "identiteitsbewijs", in casu een pasje of iets dergelijks dat bewijst wie men is, dat wil zeggen welke naam men draagt, hoe oud men is, waar men woont, de burgerlijke staat die men bezit, et cetera. Veel filosofen doen nu alsof de vraag naar de persoonlijke identiteit de vraag naar het identiteitsbewijs is, met andere woorden: Wat zou met meer of minder zekerheid bewijzen dat men een bepaald iemand is? Aangezien men bij andere personen dan zichzelf rechtstreeks steeds alleen toegang heeft tot hun lichaam en de expressies van hun geest, worden deze steevast aangewezen als de criteria op basis waarvan men iemands persoonlijke identiteit kan vaststellen. Materialisten stellen dan vaak dat het lichaam het ultieme criterium hiervoor is, en dat iemands identiteit dus afhankelijk is van diens lichaam. Madell geeft echter goed aan dat het hier in de filosofie van de persoonlijke identiteit niet werkelijk om kan gaan. Het gaat niet om de "empiristische" vraag hoe men met meer of minder zekerheid kan vaststellen of iemand die of die is, maar wat constant moet blijven wil men spreken van ontologische identiteit van
en persoon op verschillende punten in de tijd. Madell toont aan dat noch lichamelijke noch geestelijke kenmerken noodzakelijk, laat staan voldoende zouden zijn als basis voor die identiteit.

Denk wat dit betreft aan twee hypothetische gevallen (dit voorbeeld is van mij zelf). In geval 1 hebben twee verschillende personen alle psychische kenmerken en hun uiterlijk met elkaar gemeen. In geval 2 heeft hetzelfde subject op moment b geheel verschillende psychische eigenschappen en een in belangrijke opzichten ander lichaam (laten we zeggen ten gevolge van een operatie in verband met transseksualiteit) dan op moment b. Als we nu de empiristische benadering zouden mogen geloven, zouden de twee verschillende personen van geval 1 meer in aanmerking komen voor identiteit dan de ene persoon op momenten a en b van geval 2. Natuurlijk is dit een onaanvaardbare conclusie. Er blijkt ook uit dat volgens de empiristische benadering identiteit primair iets zou zijn waar wij toe beslissen op basis van kenmerken, in plaats van een alles-of-niets gegeven.
De enige aanvaardbare toetssteen voor de persoonlijke identiteit is dan ook de (niet verder reduceerbare of onanalyseerbare) identiteit van het subject met zichzelf als subject; Ik verander weliswaar voortdurend en zou zelfs mijn geheugen geheel kunnen verliezen, maar ik blijf het die steeds verandert en zich niets zou herinneren. Wanneer nu men verward is over dit soort kwesties, kan dit leiden tot zulke merkwaardige uitspraken als dat bijvoorbeeld reÔncarnatie met behoud van persoonlijke identiteit onmogelijk zou zijn, omdat het belangrijkste criterium voor die persoonlijke identiteit (lees: identificatie) het lichaam is.

2.3.1 Constantie van het subject
Volgens Immanuel Kant, die de mogelijkheid van een filosofie Ė in de zin van metafysica Ė van de geest ontkende, is het vraagstuk van de identiteit van het subject nu onoplosbaar. Men heeft steeds alleen toegang tot fenomenen, niet tot eventuele dingen zoals ze op zich zijn, volgens Kant. Zo kan het best lijken alsof er door de tijd heen steeds ťťn en hetzelfde subject blijft bestaan, maar dit kan volgens Kant berusten op een illusie. In werkelijkheid zou het best kunnen gaan om een aaneenschakeling van verschillende subjecten die steeds alleen maar denken dat wat ze zich lijken te herinneren van de ervaring van een vorig subject ook echt hun eigen herinnering is. Dit punt wordt zowel door Bolzano als door ÷sterreich erkend. Zij wijzen echter op de onwaarschijnlijkheid van deze gedachte.
÷sterreich voegt hier nog aan toe dat het slechts van belang is in te zien dat "om werkelijk zelf wat beleefd te hebben, het toenmalige ik identiek moet zijn met het huidige".
Kant krijgt echter teveel eer op dit punt. Het is volgens mij helemaal niet in te zien waar die aaneenschakeling van ikken vandaan zou moeten komen.

2.3.1.a De bron der ikken
Laten we Kant toch maar serieus nemen op dit punt, hij is immers niet de eerste de beste. Daarbij moeten we echter niet vergeten dat hij een denkfout heeft gemaakt waar het de realiteit van het geestelijke "fenomenale" leven betreft, zoals ik al heb aangetoond in de inleiding (1.5). Dat betekent dat tot de noumenale wereld an sich, in ieder geval de persoonlijke geest gerekend moet worden. Het subject van die persoonlijke geest is daarmee natuurlijk even reŽel, per definitie. Nu stelt Kant dat de schijn van de continuÔteit van zichzelf als subject heel goed een kwestie van een laten we zeggen "paramnetische" illusie kan zijn. Dat betekent dus dat er in de loop van een menselijk leven een keten van genepte ikken zou kunnen zijn. Welke typen kandidaten zijn er nu logisch gezien als bron voor deze ikken? De materie zoals we die kennen, is slechts schijn voor Kant en zoals ze verschijnt, hoeft zij niet te zijn.
Maar in ieder geval kunnen we de materie in (mogelijke) noumenale zin onderscheiden van de immateriŽle persoonlijke geest in noumenale zin. Als zij namelijk samenvallen, krijgt men solipsisme of subjectief idealisme: De materie is dan slechts schijnbaar iets anders dan het (onbetwijfelbare) noumenon van de persoonlijke geest.
Indien de noumenale materie nu verschilt van de persoonlijke geest, krijgt men dualisme, er zijn dan twee elkaar logisch uitsluitende typen noumena: MateriŽle noumena (of ťťn materieel noumenon; de materie) en subjecten met hun subjectieve leven. Het is hier voldoende om de materiŽle noumena negatief te definiŽren als zulke reŽle entiteiten die niet vallen onder het geestelijk leven van een subject.
Aldus zien we dat de bron van de ikken alleen materie of subjecten kan zijn. Een "tertium quid" is immers uitgesloten door de genoemde negatieve definiŽring van materie als niet-geest. Merkwaardig genoeg betekent de tweede mogelijkheid dat de bron van de subjecten een of meer subjecten is.
In ieder geval kan de oorzaak van de ikken niet gelijk zijn aan die ikken zelf, want dat zou leiden tot "causa sui", in plaats van een bron buiten zichzelf.
Maar kan de materie of een ander subject in theorie de bron zijn van een ik? In de loop van dit werkstuk betoog ik dat de materie noch binnen zichzelf noch uit het niets een subject kan scheppen. De persoonlijke geest is namelijk per definitie iets anders dan materie (3.6). En de materie beschikt per definitie niet over een "goddelijke", immateriŽle scheppingskracht om uit het niets een subject te scheppen (4.6).
Wat betreft de mogelijkheid van een subject om een ander subject voort te brengen: Dit betekent dat men iets buiten zichzelf creŽert zonder dat het gaat om een stof waarmee men dat creŽert. Het is met andere woorden per definitie wederom een schepping uit het niets, die als zij Łberhaupt aan iets toegeschreven kan worden, dan alleen aan een soort (almachtige) godheid. Ik meen echter zelf dat de bekende logische onmogelijkheid om uit niets iets te creŽren ook voor een godheid moet gelden. (Men kan dit misschien zelfs zo opvatten dat er logisch gezien om precies deze reden geen almachtige godheid kan zijn, maar dat ligt buiten het bereik van dit geschrift.)
Mijn conclusie luidt dan ook dat er geen bron kan zijn voor de door Kant mogelijk geachte reeks van ikken.

2.3.1.b Constantie met paramnesie
De conclusie die uit het voorgaande volgt, is dus dat de ikken van Kant voordat zij onderworpen zouden worden aan de bedrieglijke paramnesie, al bestaan moeten hebben. Zij zouden dus constant zijn, maar verward over hun eigen identiteit.
Maar dan krijgen we het volgende probleem: Waar zou die verwarring uit voort kunnen komen?
De ikken van Kant zouden gekoppeld worden aan een geheugen dat niet het hunne is, en daarbij een eventueel eigen geheugen verliezen. Wat zou de ikken aan dat vreemde geheugen kunnen koppelen?
De enige kandidaat hiervoor is een almachtig goddelijk wezen, d.w.z. een deus ex machina. Echter, er is volgens mij geen reden te bedenken voor zo'n wezen om zo'n alles behalve "goddelijke" (eerder "duivelse") grap uit te halen. Elke schepper-god die men postuleert is per definitie niet alleen almachtig, maar ook volmaakt. Het past (vergelijk: Descartes) niet in de volmaaktheid van zo'n God zijn schepselen zo volmaakt voor de gek te houden! Kants hypothese is dus onhoudbaar. Dat betekent dat de schijn alleen werkelijkheid kan zijn: Onze herinnering is inderdaad de herinnering aan ervaringen die wij zelf als subjecten hebben gehad. Weliswaar bestaan er natuurlijke beperkingen en verdraaiingen binnen onze herinnering, maar geen totale, bovennatuurlijke paramnesie.
De identiteit van een subject duurt dus met zekerheid tenminste zijn hele bewuste aardse leven lang.
Deze aardse identiteit nu maakt dat de vraag naar persoonlijke onsterfelijkheid zinnig gesteld kan worden.

2.4 Samenvatting
Persoon wordt in dit werkstuk gedefinieerd als subject van alle psychische ervaringen. Aldus heten ook dierlijke en andere, hypothetische (niet-menselijke) subjecten in dit verband "personen".
Identiteit wordt vaak verward met de mogelijkheid tot identificatie wat leidt tot onjuiste bepaling van de constantie van een subject als constantie van diens psychische kenmerken en kenmerken van zijn lichaam. Er is echter zeker sprake van persoonlijke identiteit tijdens het aardse leven, dat wil zeggen: er is met zekerheid een subject dat zichzelf in de loop der tijd als subject gelijk blijft, hoe zeer ook zijn specifieke eigenschappen, laat staan de eigenschappen van zijn lichaam veranderen. Het Kantiaanse alternatief van een opeenvolging van ikken is bij voorbaat ondenkbaar.
Dit maakt dat de vraag naar persoonlijke onsterfelijkheid zinnig gesteld kan worden.

Hoofdstuk 3

(Voor de nieuwste, bijgewerkte druk van deze verhandeling, in de vorm van een boek uit 2012, zie: Filosofische grondslagen van parapsychologisch onderzoek naar leven na de dood)



Terug naar het begin

Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
filosofie, parapsychologie, personalisme, impersonalisme, persoonlijke identiteit, onsterfelijkheid, grondslagen, subject
printversie
auteur mailen
sluiten