Contact: titusrivas@hotmail.com

Titel
H. 5 Wijsgerige Bewijzen voor Persoonlijke Onsterfelijkheid
Geplaatst door
Grondslagen van survival onderzoek
Samenvatting
Hoofdstuk 5 Wijsgerige bewijzen voor persoonlijke onsterfelijkheid van de verhandeling 'Filosofische grondslagen van empirisch onderzoek naar leven na de dood' van drs. Titus Rivas
Tekst

Hoofdstuk 5: Wijsgerige Bewijzen voor Persoonlijke Onsterfelijkheid




Nichts hört man (...) häufiger, als die Klage, daß die Beweise, welche der Mensch Für die Unsterblichkeit seines Geistes hat, nicht sicher genug seien. Was folgt aus dieser Erscheinung? daß es dem Glauben an Unsterblichkeit wirklich an hinreichenden Gründen fehle? Nicht nothwendig, wie ich meine. Denn könnte dieß alles nicht auch daher rühren, daß noch die wenigsten Menschen die Gründe, die dieser Glaube Für sich at, in ihrer ganzen Stärke kennen gelernt haben? Bernhard Bolzano, Athanasia.

5.1 Inleiding
Sinds de Middeleeuwen is het leveren van godsbewijzen vaak bij voorbaat bestempeld als dwaas en onmogelijk, zonder dat men die bewijzen nog zelf op hun merites heeft beoordeeld. Een zelfde lot is menigmaal de bewijzen voor persoonlijke onsterfelijkheid beschoren geweest. Een a priori afwijzen van elk type onsterfelijkheidsbewijs, omdat reeds in de Middeleeuwen (of door Immanuel Kant) afdoende zou zijn bewezen hoe ondeugdelijk elk ervan zou zijn, geeft mijns inziens blijk van een gebrek aan historische geschooldheid in casu. Los daarvan is het wijsgerig gezien altijd kwalijk anderen voor ons te laten denken en hun conclusies zonder nadere reflectie te aanvaarden. Dit komt overeen met juist het "middeleeuwse" verwijzen naar autoriteiten, in plaats van het leveren van geldige argumentatie.
Ook het bij sommige parapsychologen voorkomende afwijzen van elke filosofische beschouwing van persoonlijke onsterfelijkheid, omdat deze nu eenmaal "evident" een zuiver empirische kwestie zou zijn, is allesbehalve goed beargumenteerd.
Er zijn nu zowel in religieus-theologische context als in zuiver filosofische verhandelingen allerlei argumenten geleverd voor het persoonlijk overleven na de dood. Hoe sterker de filosofie verbonden is met een godsdienstige traditie, des te sterker men ook theologische argumenten mag verwachten in deze analytische bewijsvoeringen.
Een rooms-katholieke encyclopedie uit Spanje onderscheidt zo diverse typen argumenten. Ik zal deze eerst apart bespreken en beoordelen.

5.2 Teleologische (of psychologische) argumenten
De structuur van dit soort argumenten ziet er als volgt uit. De mens streeft van nature naar perfect geluk. Daar zulk volmaakt geluk in letterlijke zin onmogelijk is zonder persoonlijke onsterfelijkheid, aangezien de sterfelijkheid een grens zou stellen aan het geluk, bestaat er noodzakelijkerwijs persoonlijke onsterfelijkheid. De redenering hierachter is dat God de ziel en haar natuur geschapen heeft en dat de ziel streeft naar de verwerkelijking van haar natuur. Het zou wreed zijn van God om de ziel een natuur mee te geven die onmogelijk haar vervulling kan vinden. Wreedheid is in strijd met de aard van God. Ergo, de persoonlijke ziel kan in principe volmaakt geluk bereiken en is dus onsterfelijk.
Variaties hierop zijn dat de mens van nature naar zedelijke perfectie, en naar absolute waarheid streeft.

Commentaar
Dit argument kan men op twee manieren bekritiseren.
Ten eerste berust het direct op de aanname dat er een persoonlijke, goede God bestaat. Het is wijsgerig gezien dus afhankelijk van een godsbewijs.
Ten tweede, en dat is fataal voor dit argument, is er sprake van petitio principii. Wat "natuurlijk" is, moet realiseerbaar zijn volgens het teleologisch argument. Men zal dan echter eerst moeten bewijzen dat het inderdaad om een natuurlijk verlangen gaat. Het is a priori immers denkbaar dat het verlangen niet verwerkelijkt kan worden en dan dus "onnatuurlijk" blijkt te zijn geweest. Door meteen te stellen dat de ziel natuurlijke verlangens heeft die alleen wanneer onsterfelijkheid bestaat, kunnen worden
verwezenlijkt, vooronderstelt men met andere woorden reeds wat men pretendeert te zullen bewijzen.

5.3 Het morele argument
De structuur van het morele argument is als volgt. Daar deze aardse wereld niet bepaald het toonbeeld van rechtvaardigheid is, waarbij de "kwaden" het altijd zouden afleggen tegen de "goeden", moet er een andere, postume wereld zijn waarin het recht zal zegevieren.

Commentaar
Ook hier is weer duidelijk sprake van afhankelijkheid van een godsbewijs. Het is omdat het heelal bestierd wordt door een rechtvaardige godheid dat men mag verwachten dat het kwaad uiteindelijk het onderspit zal delven. Wanneer men denkt dat men zo'n godsbewijs kan leveren dan is het argument zeker bruikbaar. Ik zelf ben geenszins overtuigd van de geldigheid van welk tot op heden geleverd godsbewijs dan ook. Het zou echter veel te ver voeren hier over dit onderwerp uit te wijden. Het is hoe dan ook mijn doelstelling een wijsgerig bewijs voor persoonlijke onsterfelijkheid te vinden dat niet stoelt op enig godsbewijs.

5.4 Het historische argument
"Het geloof in een persoonlijk overleven na de dood is een universeel verschijnsel. Het komt bij alle volkeren en in alle perioden voor. Daarom moet dit geloof op waarheid berusten." Zo luidt het zogeheten historisch argument.

Commentaar
Dit argument is volledig onbruikbaar. Er zijn allerlei ideeën die in de loop der geschiedenis steeds weer opduiken. De zon werd bijvoorbeeld zowel door de Egyptenaren als de Azteken als nog steeds door bepaalde moderne astrologen als een belangrijke godheid gezien. Is dat soms een reden om een zonnecultus aan te gaan hangen? Het verweer tegen dit soorten analogieën luidt dat het daarbij om (foute) interpretaties van waarneembare verschijnselen (zoals de genoemde zon) gaat, terwijl de persoonlijke onsterfelijkheid niet waarneembaar is en er dus ook niets te interpreteren valt. Men vergeet dan echter dat overeenkomende wanen behalve uit gedeelde verkeerde interpretaties, ook uit gedeelde angsten of wensen kunnen voortkomen. In dit geval zou het kunnen gaan om een gedeelde angst voor persoonlijke extinctie of om een gedeelde wens aan zo'n vernietiging te ontkomen.
Het argument is dus een drogreden, en niets meer dan dat.

5.5 Ontologische argumenten
Dit is de laatste kategorie analytische argumenten en indien wij strikt wijsgerige bewijzen willen vinden voor een persoonlijk overleven na de dood, dan kunnen wij mijns inziens dus alleen hopen ze bij deze kategorie te vinden.
Ik zal steeds de hoofdvarianten van de geleverde ontologische argumenten bespreken en beoordelen. Ik heb de argumenten overigens verder onderverdeeld, ter vergroting van de helderheid.

5.5.1 Eerste Natuurfilosofische Argument: "Leven ontstaat uit dood en dood ontstaat uit leven. Daardoor herleeft de ziel na de dood" (Plato, De Phaedo).

Commentaar
Dit bewijs is onhoudbaar. Leven staat ten eerste niet tegenover dood, maar tegenover niet-leven, d.w.z. levenloosheid. De dood is slechts één type levenloosheid, namelijk een levenloosheid na een leven. Aldus zijn zowel een verwelkte bloem als een kiezelsteen levenloos, maar is alleen de bloem dood. Daarom hoeft leven niet te ontstaan uit dood, maar is het voldoende als het ontstaat uit anorganische stof. Een belangrijker bezwaar is echter het volgende. Leven is een onpersoonlijke categorie. Daarom zal nooit dezelfde bloem ontstaan uit de humus van haar voorgangster. Er zal slechts een zelfde bloem ontstaan. Dit argument zou dus slechts kunnen aantonen dat uit de dode lijken van overledenen weer nieuwe lichamen zullen ontstaan, en uit de dode zielen weer nieuwe zielen, maar het is duidelijk dat geen persoonlijke onsterfelijkheid betekent, maar slechts regeneratie van de onpersoonlijke kategorie "leven".

5.5.2 Tweede Natuurfilosofische Argument: "De ziel is het levensprincipe. Een dode ziel is bijgevolg een contradictie in terminis" (Plato, De Phaedo).

Commentaar
Dit is een woordenspel. Als de ziel dood zou zijn, dan zou dat niet betekenen dat zij net als het lichaam ergens ligt te rotten, maar slechts dat ze er niet meer zou zijn. Een dode ziel is dus niet een dode levende ziel, maar een vernietigde, d.w.z. afwezige ziel. Er is op die manier geen sprake van een contradictie.

5.5.3 Eerste Argument op basis van ideeënleer: "De geest kent allerlei categorieën, zoals het Goede zelf, het Grotere en het Kleinere die het in een voor-bestaan heeft geleerd. Preëxistentie impliceert overleven na de dood" (Plato, De Phaedo).

Commentaar
Dat de persoonlijke geest denkt in categorieën en concepten is onmiskenbaar. Dat wordt erkend door de hedendaagse cognitieve psychologie. In tegenstelling tot Plato wordt dit tegenwoordig echter niet in verband gebracht met een contact met een hogere ideeën– of vormenwereld, maar simpelweg met een aanleg van onze mensensoort. Het menselijk intellect zou zo geconstitueerd zijn dat het bij genoeg "input" vanzelf bepaalde categorieën zou genereren. Preëxistentie zou inderdaad voortbestaan impliceren, maar het herinnerings-model der cognitie wordt sinds Aristoteles meestal niet langer aannemelijk geacht.
Het is met dit argument dus gesteld als met het morele type argumentatie voor persoonlijke onsterfelijkheid: Het stoelt op een alles behalve evidente presuppositie.


5.5.4 Tweede Argument op basis van Ideeënleer: "De ziel is verwant aan de vormen of ideeën en deelt in hun constantie" (Plato, De Phaedo).

Commentaar
Ook hiervoor geldt dat men wijsgerig niet of nauwelijks meer geneigd is een aparte ideeënwereld te postuleren. In plaats daarvan vat men denken in concepten op als het product van abstractie uit zintuiglijke waarnemingen. Op zich zou de constantie-claim natuurlijk wel voldoen, maar in deze platoonse formulering wordt de claim ontkracht door de onaannemelijkheid van de algemene ontologie waar zij op stoelt.

5.5.5 Derde Argument op basis van Ideeënleer: "De ziel kan goddelijke eigenschappen zoals wijsheid vertonen. Dit bewijst dat zij verwant is aan het goddelijke en dus onsterfelijk" (Plotinus, Enneaden).

Commentaar
Dit argument is opnieuw afhankelijk van een godsbewijs of ideeënleer en dus los daarvan mijns inziens onbruikbaar.

5.5.6 Argument op basis van Psychogene Causaliteit: "De ziel is niet als de harmonie van een lier. Zij beheerst het lichaam juist" (Plato, De Phaedo).

Commentaar
Dit bewijs is sluitend, mits men inderdaad kan aantonen dat de ziel geen harmonie van het lichaam is. Iedere zelfstandige daad van de ziel is namelijk iets wat niet veroorzaakt wordt door het lichaam. Zodra aangetoond kan worden dat er ook maar één activiteit van de ziel bestaat, die niet geheel wordt veroorzaakt door het lichaam, heeft men aangetoond dat de ziel niet principieel (in al haar daden) afhankelijk is van het lichaam en dus ook zonder dat lichaam de dood zal overleven. De moderne stroming van het epifenomenalisme bestrijdt het bestaan van psychogene causaliteit echter nog steeds. We zullen dus eerst het epifenomenalisme moeten ontkrachten, willen we dit ontologisch argument tot zijn recht laten komen. Na de bespreking van alle ontologische argumenten zal ik daarom hieronder stilstaan bij de onhoudbaarheid van het epifenomenalisme.

5.5.7 Substantie-argument: "De zintuiglijke waarneming is alleen mogelijk als er een psychische eenheid bestaat, een subject, die alle afzonderlijke zintuiglijke indrukken in zich verenigt. Zo'n eenheid komt niet voort uit het samengestelde lichaam. Zij kan dus ook niet door het lichaam worden vernietigd." Varianten hierop zijn: de afhankelijkheid van een subject, van gewaarwording (bijvoorbeeld pijn) en denken (Plotinus, Enneaden, IV, 7, 6 ).

Commentaar
Dit is volgens mij een sluitend bewijs voor persoonlijke onsterfelijkheid. Voor zover ik weet werd het zoals vermeld voor het eerst door Plotinus geleverd. Het argument is terecht altijd centraal blijven staan binnen de filosofie van de persoonlijke onsterfelijkheid. Men kan het substantie-argument noemen oftewel het bewijs op basis van de eenheid of onscheidbaarheid van de geestelijke persoon. Een tamelijk recente verdediging van het argument werd geleverd door Bernhard Bolzano in zijn boeiende "Athanasia" (1838) (Zie 5.7).

5.6 Samenvatting van ontologische argumenten
Als we de ontologische argumenten nader beschouwen, kunnen we een onderscheid maken tussen argumenten die uiteindelijk berusten op een allesomvattende metafysica en natuurfilosofie en daar dus van afhankelijk zijn, en argumenten die slechts afhangen van ontologische stellingen rond de persoonlijke geest zelf. Alleen het argument van de psychogene causaliteit en het substantie-argument behoren tot de laatst genoemde categorie. Alleen deze argumenten lijken mij wijsgerig dan ook aanvaardbaar als onafhankelijke bewijzen voor persoonlijke onsterfelijkheid. Het is immers niet onze, of in ieder geval mijn, bedoeling om eerst platonici of neoplatonisten te worden alvorens een bewijs te mogen aanvaarden.
Overigens meen ik dat het argument van de psychogene causaliteit gereduceerd kan worden tot het substantie-argument. De psychogene causaliteit zou immers moeten wijzen op het zelfstandige karakter van de persoonlijke ziel, dat willen zeggen op haar substantialiteit. Desondanks zal ik er zoals reeds aangekondigd hieronder aandacht aan besteden (5.8).
Samenvattend betekent dat dus dat er één sluitend bewijs bestaat voor persoonlijke onsterfelijkheid, namelijk het substantie-argument.

5.7 Nogmaals: Het substantie-argument
Gezien het enorme belang van een sluitend wijsgerig bewijs voor persoonlijke onsterfelijkheid, wil ik er uitvoeriger op ingaan.

5.7.1. Bolzano's formulering van het substantie-argument
Het substantie-argument heeft sinds Plotinus terecht niet meer ontbroken binnen de wijsbegeerte van de persoonlijke onsterfelijkheid. Het is echter Bernhard Bolzano geweest die haar -na zijn moderne voorgangers Descartes, Leibniz, en dergelijke- in de recente filosofie buiten een expliciete platoonse of neo-platonistische context heeft geformuleerd.
Om deze reden verdient juist zijn verwoording van het argument mijns inziens extra aandacht. Ik zal daarom de belangrijkste passages dienaangaande uit Athanasia aanhalen.

(1). De soorten zijnden

- "Alles wat is, d.w.z. werkelijk bestaat, ofwel voor altijd of slechts voor een bepaalde tijd, behoort tot één van de volgende twee soorten: het is en bestaat ofwel aan iets anders, als eigenschap daarvan, of het is niet slechts een eigenschap aan iets anders, maar bestaat, zoals men pleegt te zeggen, voor zichzelf" (p. 21).

- "De werkelijkheden van de eerste soort plegen de geleerden met een Latijns woord ook wel "adhaerentiae", die van de laatste echter "substantiae" te noemen" (p. 21).

- "Als er ook maar één zijnde bestaat wat werkelijk bestaat, dan moet er ook tenminste één of verscheidene substanties bestaan. Want iets dat werkelijk bestaat, wat geen substantie is, moet een adhaerentie zijn, dat wil zeggen een eigenschap, en duidt bij voorbaat op het werkelijk bestaan van nog iets anders, waaraan het zelf bestaat" (p. 22).

(2). Het ik
- "Een voorstelling kan duidelijk niet bestaan, zonder dat iemand, in wiens gemoed zij zich voordoet, zou bestaan; en op dezelfde manier duidt ook iedere gewaarwording op iemand die haar heeft; enz." (p.26).

- "Uit het voorgaande volgt dat er één of meer substanties moeten bestaan, waarop zich onze voorstellingen, gewaarwordingen enz. betrekken, namelijk als op het object waaraan zij zich eigenlijk voordoen. Dit nu is het, wat wij onder Ik in de strengste betekenis van het woord verstaan, en ook wel Ziel of Geest noemen" (p.26).

(3) Het ik is geen bundeling van substanties

- "Als men de zaak zeer oppervlakkig beschouwt, zo zou men misschien kunnen geloven, dat de gedachten, gewaarwordingen, wensen en wilsbesluiten, die een mens heeft, hem ongeveer zo toebehoren, als de geur, de kleur en de overige eigenschappen, die we aan een bloem opmerken, de bloem toebehoren. Bij een bloem blijkt echter weldra, dat het niet één enkele substantie, maar een bundeling van zeer veel substanties is, die haar aangename geur, haar kleur en overige soortgelijke eigenschappen toegeschreven moeten worden. Niet de enkele deeltjes hebben al uit zichzelf kleur of geur, maar slechts uit de verbinding van meerdere delen ontspringen deze eigenschappen aan de bloem. Dat voert natuurlijk tot de vraag of ook niet ons ik, datgene, waaraan ons denken, voelen enz. eigenlijk toebehoort, een constructie uit meerdere substanties is?" (p.26-27).

- "Enig nadenken toont aan, dat niet eens de bundeling van alle substanties waaruit ons lichaam bestaat, tot ons ik behoort. Want de ervaring leert, dat we zelfs vele delen van ons lijf tegelijkertijd, of langzamerhand, verliezen kunnen, zonder dat ons ik ophoudt hetzelfde te zijn (...) Als ik dus bijvoorbeeld reeds bij me zelf waarneem dat het mijn denken niet stoort of ik de haren op mijn hoofd laat groeien of afknip, dan concludeer ik terecht dat dit denken niet in mijn haren plaatsvindt" (p.28).

- "(...) niets is zekerder als dat het één en hetzelfde ik is, waarin alle (..) verschillende voorstellingen die mij door de verschillende zintuigen worden toegevoerd, verenigd aan te treffen zijn. Ik, die zie, ben ook degene, die hoort en ruikt. Dit zien, horen, ruiken zijn echter veranderingen, die zich in mij voltrekken; want het is toch een verandering te noemen als ik bijvoorbeeld nu eens de voorstelling van een rode kleur, dan weer die van een klokgelui, dan weer die van een aangename geur heb. Als dit ontegenzeggelijk waar is, dan moet ook datgene, wat mijn ik uitmaakt, iets zijn, waarin zich bij elk van deze verschillende voorstellingen een eigen verandering, en wel eenzelfde specifieke verandering voordoet. Elk object waarin bij één bij van deze genoemde voorstellingen ofwel helemaal geen of in ieder geval geen zulke verandering voordoet, waaruit deze soort voorstellingen bestaat, kan juist daarom ook niet tot mijn ik behoren. In mijn oor doet zich als ik zie, in mijn oog doet zich als ik hoor tenminste niet zo'n verandering voor, die specifiek is voor dit type van voorstellingen. Er bestaat dus geen twijfel over dat noch mijn oor, noch mijn oog, noch welk ander zintuig ook, tot mijn eigenlijk ik behoort" (p.32).

(4). Het ik is een substantie

- "Op welke manier we dus ook proberen, de stelling te rechtvaardigen, dat ons denken, ervaren, wensen en willen zich in een uit meerdere substanties samengesteld geheel voordoen, we stuiten steeds op een tegenspraak. Het is daarmee bewezen, dat onze ziel in de betekenis, die boven gedefinieerd hebben, slechts een enkelvoudige substantie is" (p.47).

(5). Het ik is onsterfelijk, omdat het een substantie is

" (...) ik houd het niet slechts voor mogelijk, maar zelfs voor noodzakelijk dat de substanties van de wereld vanaf alle eeuwigheid hebben bestaan. Alleen al uit de simpele definitie van een substantie denk ik namelijk dat volgt dat een ontstaan of vergaan daarvan niet kan plaatsvinden. Substanties, die bestaan, moeten er altijd zijn. Alleen de eigenschappen ervan (...) behoort een ontstaan of vergaan toe; de substanties zelf zijn echter datgene wat wij ons bij elke verandering als datgene moeten voorstellen wat de verandering ondergaat, wat daarom dan niet pas ontstaat, maar reeds bestond, hoewel het anders werd".

Hoewel Bolzano een gelovig christen was en een duidelijk theologisch wereldbeeld had, vormen de bovenstaande passages wijsgerig gezien een zeer welsprekende en volledig sluitende versie van het substantie-argument.
Er zijn volgens mij geen redelijke alternatieven voor een substantie-ontologie als van Bolzano. Indien men nu uitgaat van een substantie-ontologie, blijkt mijns inziens – zoals reeds Plotinus had bewezen – het ik geen eigenschap of bundel, maar een substantie.
Substanties kunnen niet uiteenvallen, omdat ze niet samengesteld zijn uit iets anders dan zichzelf. Ze zouden alleen in het niets kunnen verdwijnen. Dat zullen ze echter niet van nature doen. Alleen een bovennatuurlijk ingrijpen zou een substantie kunnen vernietigen. Voor Bolzano bestaat er overigens, zoals we hebben gezien, zo'n bovennatuur. Hij stelt echter dat men niet alleen kan geloven dat God de zielen in leven laat, maar dat logisch kan afleiden uit de (christelijke) definitie van God.
Het lijkt er dus eventjes op alsof ook Bolzano's bewijsvoering toch weer afhankelijk is van een godsbewijs. Dit is echter schijn. Indien men het bestaan van een God verwerpt, volgt logisch des te zekerder dat geen enkele substantie ooit vernietigd zal worden. Er is dan namelijk niets wat die vernietiging zou kunnen bewerkstelligen. Indien men het bestaan van Bolzano's God aanvaardt, volgt in tegenstelling tot de mening van bepaalde Middeleeuwse filosofen, nog steeds dat omdat God volmaakt goed is, hij nooit de zielen zal vernietigen.
Het doet er dus logisch niet toe of men een godheid aanneemt of niet. In beide gevallen volgt dezelfde conclusie: De persoonlijke ziel is onsterfelijk. Daarmee blijkt het wijsgerig substantie-bewijs in de formulering van de theologische Bolzano, naast van platonisme of neo-platonisme, ook onafhankelijk van een godsbewijs. Het is opmerkelijk dat Bolzano dit ook zelf uitdrukkelijk onderschrijft, hoewel hij er vanuit gaat dat er onder zijn lezers geen atheïsten (of agnostici) zullen voorkomen:

"Der Aufmerksamkeit eines denkenden Lesers wird nicht entgangen sein, daß alles, was wir bisher über die Unsterblichkeit unserer Seele (...) vorgebracht haben, auf Gründe gestützt worden sei, die selbst derjenige zugeben Müßte, der an kein Dasein eines Gottes glaubt".

5.7.2. Persoonlijke substantialiteit en de hersenen
Bolzano stelt vrij vertaald dat er in het lichaam geen enkel punt is dat alle informatie in zich verzamelt die verschijnt in het bewustzijn van een subject, d.w.z. bijvoorbeeld zowel auditieve als visuele informatie. De geïnformeerde lezer van het eind van de 20e eeuw zou hier op het eerste gezicht tegen kunnen inbrengen: En de hersenen dan? Herbergen zij niet alle "input" van alle zintuiglijke modaliteiten? En waarom spreekt men van oudsher van "associatieve" cortex en dergelijke als zo'n term niet slaat op neuronale integratie van zintuiglijke input? Bernhard Bolzano gaat inderdaad niet expliciet in op de these dat de eenheid van perceptie, emotie en dergelijk geheel verklaard kan worden door een overeenkomende integratie van alle lichamelijke informatie in één bepaald punt in de hersenen, bij voorkeur binnen de neo-cortex.
Maar ook dit blijkt toch geen problemen op te leveren. Wat hij zegt over zintuigen zoals oog en oor, is direct van toepassing op het brein. Het "brein" of de "hersenen" zijn in feite abstracte aanduidingen van complexe, uiterst gecompliceerd samengestelde systemen van zenuwcellen, gevoed door bloedvaten, etc. Geen enkele zenuwcel of synaps daarvan kan dus toegang hebben tot alle "informatie" in de hersenen. Er is dus met zekerheid niet één punt aan te wijzen in de hersenen dat zowel "hoort", "ziet", "denkt", "voelt", zoals dit wel voor het geestelijk subject geldt.
Alleen in abstracte zin kan men zeggen dat het brein toegang heeft tot alle nerveuze informatie, niet in de directe zin waarin de persoon toegang heeft tot al zijn bewuste ervaringen. Het brein is dus met zekerheid geen substantie, net zo min als een arm, een oog of een maag dat is. Dit wordt zelfs letterlijk toegegeven door de reductionist Daniel Dennett: "Je moet loskomen van het idee dat er een plaats is in de hersenen waar alles bij elkaar komt." Q.E.D. zou ik bijna zeggen. Ik verwijs ook weer naar Moncrieffs werk over de visuele waarneming.

5.8 Het schijnprobleem van de homunculus
Uit de veelheid van de neurologische en onbewuste mentale processen die vooraf moeten gaan aan een bewuste ervaring, leidt men erg vaak af dat er "dus" juist géén uniciteit van het ik kan zijn. Dit geldt in het algemeen maar in het bijzonder voor gevallen van dissociatie, of het nu van functies of hele persoonlijkheidsstructuren is.
De tegenstanders van het substantie-dualisme spreken in deze context wel van het "homunculus"-probleem, een denigrerende term die een klein mannetje aanduidt dat in de hersenpan alle mentale processen aaneen zou smeden.
Daartegenover plaatst men dan vaak een reductionistisch materialistische positie of een gedachte van een veelheid van homunculus-achtige submechanismen.
Het belangrijkste punt is dat men denkt dat opdat er een uniek zelf bestaat dat de grond is van iemands mentale processen, dit zelf onverward zou moeten zijn, zichzelf mentaal helemaal zou moeten kunnen doorgronden en bovendien zijn integrerende processen bewust zou moeten voltrekken. Geen van deze drie supposities is echter noodzakelijk vanuit het substantie-dualisme. Het enige wat noodzakelijk is dat alle mentale processen van persoon zich aan één en hetzelfde zelf voltrekken. Die processen mogen best verward zijn, onderling tegenstrijdig, dissociatief, en onbewust. De karikatuur van de homunculus is afkomstig van mensen die niets van genoemde basisstelling van het substantie-dualisme hebben begrepen.

5.9 Het sub-argument van de psychogene inwerking
Ter afsluiting van dit hoofdstuk zal ik zoals aangekondigd nog een argument formuleren tegen het heersende epifenomenalisme, hetgeen het bestaan van psychogene causaliteit ontkent.
Samen met Hein van Dongen heb ik dit argument in een algemenere context elders uitvoeriger behandeld.
Het argument komt in wezen hier op neer:

(1) Het epifenomenalisme stelt dat er ongetwijfeld bewuste ervaringen bestaan die men niet tot hersenprocessen kan reduceren.
(2) Tegelijkertijd stelt het echter dat die bewuste ervaringen geen enkele invloed hebben op de werkelijkheid.
(3) Het stelt met andere woorden dat men zeker weet dat er subjectieve ervaringen bestaan, terwijl men tegelijkertijd het bestaan van die ervaringen aan niets kan merken aangezien ze, in causale zin, geen enkel verschil uitmaken voor de werkelijkheid.
(3a) Dat wil zeggen dat men beweert iets met zekerheid te kennen, dat zich op geen enkele manier kenbaar kan maken
(4) Aldus is het epifenomenalisme contradictoir. Het kan zijn eigen zekerheid omtrent het bestaan van irreducibele subjectieve ervaringen niet rechtvaardigen.
Dit analytisch argument weerlegt het epifenomenalisme als geen ander, omdat het aantoont dat het epifenomenalisme a priori een onhoudbare stelling verdedigt.
Het bestaan van psychogene causaliteit is daarmee logisch bewezen.

5.10 Conclusie
Het bestaan van persoonlijke onsterfelijkheid blijkt een a priori zekerheid. Het enige argument wat dit echter kan aantonen is het substantie-argument. Geen enkel ander argument voldoet.

Terug naar het begin

(Voor de nieuwste, bijgewerkte druk van deze verhandeling, in de vorm van een boek uit 2012, zie: Filosofische grondslagen van parapsychologisch onderzoek naar leven na de dood)

Hoofdstuk 6



Gebruikte steekwoorden
leven na de dood, dualisme, bewijsvoering, onsterfelijkheid, substantialiteit, substantialisme, substantie, homunculus
printversie
auteur mailen
sluiten