Titel
Reïncarnatie, persoonlijke evolutie en bijzondere kinderen
Geplaatst door
Grondslagen van survival onderzoek
Samenvatting
De visie van drs. Titus Rivas op persoonlijke evolutie en bijzondere kinderen afgeleid van een personalistische interpretatie van reïncarnatie.
Tekst

Reïncarnatie, persoonlijke evolutie en bijzondere kinderen

door Titus Rivas (eindnoot 1)

Inleiding
Veel mensen denken bij reïncarnatie aan een wedergeboorte van een persoonlijke ziel. Dat wil zeggen dat iemand zelf in geestelijke zin werkelijk eerder geleefd heeft. Met name onder invloed van de theosofie en het boeddhisme stellen sommige westerse intellectuelen hier echter een concept van onpersoonlijke wedergeboorte tegenover. Het idee van een persoonlijke ziel zou volgens hen gebaseerd zijn op een naïeve illusie. Er zou niet eens gedurende een en hetzelfde leven een persoonlijke ziel of geest bestaan, laat staan dat zo’n ziel de dood zou kunnen overleven en zou kunnen reïncarneren in een nieuw lichaam. Een persoonlijke evolutie over meerdere levens heen zou daarom ook alleen maar een onrealistische gedachte kunnen zijn. Toch is lang niet iedere geleerde het met dit negatieve oordeel eens. Het is dus zeker niet zo dat je als serieuze wetenschapper uitsluitend een onpersoonlijke interpretatie van reïncarnatie kunt voorstaan.

Impersonalisme versus personalisme
Boeddhisten hebben het over anatta (letterlijk: geen ziel) als ze bedoelen dat er na iemands dood in plaats van een persoonlijke ziel slechts onpersoonlijke geestelijke patronen overblijven. Deze zogeheten impersonalistische theorie van de boeddhisten komt op bepaalde denkers diepzinniger over dan de personalistische theorie van persoonlijke reïncarnatie. Alleen al daarom kunnen sommige intellectuelen er de voorkeur aan geven. Ze beschouwen personalisme in dat geval als simpel en naïef of ze kunnen zich domweg niet voorstellen dat de natuurlijke orde rekening houdt met zoiets ‘banaals’ als de menselijke persoon. Een impersonalistische visie zou met andere woorden bij voorbaat meer serieuze aandacht verdienen (Rivas, 1996).
Doorgaans vergeten genoemde denkers daarbij dat een vraagstuk als persoonlijke identiteit niet pas speelt als we geconfronteerd worden met de resultaten van reïncarnatieonderzoek. Het is een filosofisch basisvraagstuk dat niet zo maar ad hoc opgelost kan worden binnen één speciale context. Over het algemeen mogen we zeggen dat het onmogelijk is dat er persoonlijke reïncarnatie voorkomt als er tijdens het aardse leven zelf al geen persoonlijk geestelijk overleven bestaat. Anderzijds geldt dat de mogelijkheid van persoonlijke reïncarnatie alleen bij voorbaat kan worden uitgesloten als je ontkent dat er tijdens het leven sprake is van het overleven van een persoonlijke geest. De schijnbaar vanzelfsprekende superioriteit van het impersonalisme in dit verband is logisch gezien dus direct afhankelijk van een algemener impersonalisme rond de kwestie van de persoonlijke identiteit.
Het voert hier te ver om uitgebreid in te gaan op deze fundamentele wijsgerige vraagstukken. Ik heb dat elders al meer dan eens gedaan (Rivas, 1996; 2003a). Hier wil ik volstaan met de constatering dat impersonalisme zeker niet vanzelfsprekend juist is, omdat het nu eenmaal niet vanzelfsprekend is dat er tijdens een leven geen persoonlijke ziel bestaat. Daarom dient een impersonalistische interpretatie van resultaten van reïncarnatieonderzoek dus ook helemaal niet bij voorbaat voorrang te krijgen. Het debat over de persoonlijke ziel moet op een filosofisch niveau worden beslist en geleerden moeten daarom de vrijheid hebben om openlijk personalist te zijn, ook als die positie relatief zelden zou worden aangehangen en daardoor weinig prestige zou genieten.

Een groot verschil in interpretatie
Het is zeker onjuist te stellen dat het eigenlijk niets uitmaakt of je een impersonalistische of personalistische visie op reïncarnatie aanhangt. Ten eerste is het existentieel gezien natuurlijk erg belangrijk om te weten of wij mensen geestelijk zelf de dood overleven en reïncarneren, of dat er na ons overlijden alleen wat onpersoonlijke informatiepatronen uit ons leven overblijven terwijl wat we als ons eigenlijke zelf beschouwen voorgoed zou verdwijnen (Rivas, 2003a). Ten tweede leveren beide overkoepelende visies ook wetenschappelijk gezien een totaal ander wereldbeeld op. Over het algemeen kun je het verschil tussen impersonalisme en personalisme zo samenvatten dat het impersonalisme stelt dat er geen persoon is die dezelfde blijft, maar alleen geestelijke patronen die hetzelfde blijven. Terwijl het personalisme stelt dat iemands geestelijke patronen niet per se hetzelfde blijven, maar dat er tenminste wel altijd een geestelijke persoon is die dezelfde blijft.

Ik zal dit toelichten aan de hand van een concreet geval.

Ian Stevenson maakt in zijn nieuwste boek European Cases of the Reincarnation Type gewag van een westers geval waarbij een onbekende overledene werd getraceerd die overeenkwam met de herinneringen van een kind. Het gaat om de Oostenrijkse jongen Helmut Kraus, die in 1931 in Linz geboren werd en vanaf zijn vierde regelmatig praatte over een vorig leven. Daarbij begon hij meestal met de woorden “Toen ik groot was...” Een vriendin van zijn ouders, Helga Ullrich, bracht Helmut vaak naar de kleuterschool en luisterde daarbij ook aandachtig naar zijn uitspraken. Op een dag zei Helmut dat hij in zijn vorig leven op de Manfredstraße 9 had gewoond. Toevallig genoeg had Helga Ullrich een vriendin, Anna Seehofer, die op dat moment uitgerekend op ditzelfde adres woonde. Daarom vroeg ze Anna wie er voor haar op het adres hadden gewoond. Haar vriendin achtte het naar aanleiding daarvan mogelijk dat Helmut een reïncarnatie van haar neef was, generaal Werner Seehofer, aangezien hij enige tijd in het huis had gewoond na de dood van zijn vrouw. De uitspraken van Helmut bleken inderdaad overeen te komen met leven en dood van generaal Seehofer.
Dit geval werd eerst onderzocht door Dr. Karl Müller en uiteindelijk ook door Ian Stevenson zelf. Helmut Kraus bleek onder andere te hebben gezegd dat hij een hoge officier was geweest tijdens de “grote oorlog” en dat hij enkele jaren had gewoond op een adres te Wenen, dat ook overeenkwam met een woning die Seehofer daar had betrokken. Ook noemde hij het adres van de schoonouders van Seehofer in Linz. Los van deze uitspraken vertoonde Helmut ook spontaan ‘militair’ gedrag (terwijl hij niet in een militaire familie geboren was) en was hij bang voor geweerschoten. Verder was hij in het algemeen serieuzer, trotser en onafhankelijker dan andere kinderen van zijn leeftijd.

Laten we eerst eens kijken hoe een impersonalistische verklaring van dit geval eruit zou zien (eindnoot 2).
Er is ooit een ‘persoon’ geweest, dat wil zeggen een tijdelijke en in de kern onpersoonlijke eenheid van lichamelijke en geestelijke structuren en processen, die bekend stond als generaal Werner Seehofer. Deze persoon is vernietigd door de dood, maar delen van zijn geestelijke structuren en processen hebben de dood overleefd. Ze zijn op de een of andere manier beland bij een andere persoon, Helmut Kraus, die ze heeft opgevat als herinneringen aan een eigen vorig leven als de generaal. Deze interpretatie is echter incorrect, omdat er nooit een geestelijke persoon heeft bestaan die nu de kern zou uitmaken van Helmut en vroeger de kern uitmaakte van generaal Seehofer. De jongen Helmut Kraus en generaal Seehofer zijn twee verschillende personen, en ze komen slechts overeen in bepaalde delen van hun persoonlijkheid, maar zonder dat Seehofer daardoor ook letterlijk zelf zou voortleven als deze jongen.
Een personalistische verklaring ziet er bepaald heel anders uit. Er heeft ooit een persoon bestaan, een persoonlijke ziel of geest met een fysiek lichaam, die in het verleden bekend stond als generaal Werner Seehofer. Deze geestelijke persoon is niet vernietigd door de dood, maar alleen zijn lichaam is gestorven. Hijzelf heeft de dood overleefd en is als persoonlijke geest gereïncarneerd als Helmut Kraus. In die geestelijke zin is Helmut Kraus generaal Seehofer. ‘Helmut Kraus’ is in feite de nieuwe naam voor generaal Seehofer, nadat hij gereïncarneerd is in een nieuw lichaam met andere lichamelijke kenmerken en een andere fysieke en sociale omgeving.

Uitwerking van de personalistische visie
Volgens sommige impersonalisten zou schijnbare reïncarnatie in de vorm van het doorgeven van informatie aan volgende generaties een vorm van zogeheten Lamarckiaanse evolutie zijn, dat wil zeggen een evolutieproces waarbij verworven kennis aan soortgenoten wordt doorgegeven zonder dat deze zich die kennis eerst zelf eigen hoeven te maken. Zo zou er geen sprake zijn van echte persoonlijke reïncarnatie of persoonlijke evolutie over levens heen, maar wel van een soort geestelijke evolutie van de mensheid die de culturele evolutie zou bespoedigen. De impersonalistische visie op reïncarnatie laten we in dit artikel echter verder buiten beschouwing.

Hoe kunnen we de geestelijke veranderingen van Generaal Seehofer sinds zijn wedergeboorte als Helmut Kraus nu plaatsen binnen de personalistische visie? Ik stel me de ontwikkeling van een persoonlijke ziel als volgt voor (Rivas, 1999; 2000). Tijdens een en hetzelfde fysieke leven ontwikkel je je geestelijk in diverse opzichten. Je doet als geïncarneerde geest allerlei ervaringen en inzichten op en ontwikkelt een keur aan vaardigheden. Dit alles neem je geestelijk mee na je dood. Na enige tijd kun je reïncarneren in een nieuw ongeboren lichaam. Geestelijk blijf je daarbij steeds dezelfde maar net als tijdens het vorige fysieke leven kunnen je psychische processen wel beïnvloed worden door de hersenen waaraan je geestelijk bent gekoppeld. Een babybrein laat aanvankelijk minder bewuste geestelijke activiteit toe dan een gezond volwassen brein en daardoor kunnen allerlei herinneringen op de achtergrond raken. Toch blijft alles wat je je eigen hebt gemaakt in elk geval op onbewust niveau intact en dit vormt de voornaamste basis voor de ontwikkeling die je tijdens je nieuwe jeugd in dit nieuwe lichaam laat zien. Onder de juiste omstandigheden kunnen er (zodra het nieuwe brein dit toelaat) ook bewuste herinneringen aan je eigen vorige leven naar boven komen. Er is binnen deze visie al met al niet alleen sprake van een identiteit van de ziel van Generaal Seehofer en Helmut Kraus maar ook van continuïteit tussen de geestelijke ontwikkeling van deze ziel tijdens haar levensloop als Generaal Seehofer en haar geestelijke ontwikkeling vanaf het moment dat ze wordt aangeduid met haar nieuwe naam Helmut Kraus. Er is daarbij een tijdelijke functionele regressie veroorzaakt door de incarnatie in een babybrein, die echter in de loop van de kindertijd tijdens dit nieuwe leven normaal gesproken ongedaan kan worden gemaakt.
Doordat het in deze visie gaat om een en dezelfde ziel die een continue geestelijke ontwikkeling doormaakt, heeft het ook zin om te spreken van een persoonlijke evolutie over meer dan één leven heen. Je kunt daarbij denken aan een persoonlijke groei waarbij zaken als algemene intelligentie, een positief levensgevoel en het intuïtief aanvoelen van belangrijke waarden, maar ook allerlei talenten steeds verder zouden kunnen toenemen. Dit sluit dus aan bij een concept van continue persoonlijke ontwikkeling zoals we dat bijvoorbeeld kennen uit de humanistische psychologie (Maslow, 1987). Overigens is het concept van persoonlijke evolutie over levens heen verenigbaar met de mogelijkheid dat er scheefgroei of tijdelijke achteruitgang optreedt binnen iemands ontwikkeling. Mensen kunnen bijvoorbeeld tijdens een en hetzelfde leven getraumatiseerd worden door verschrikkelijke emotionele ervaringen en het lijkt onaannemelijk dat de posttraumatische effecten daarvan alleen binnen een leven kunnen voorkomen.
Toch stemt het idee van persoonlijke evolutie over het geheel genomen zeker optimistisch omdat de kans dat het uiteindelijk innerlijk de goede kant opgaat met iemand gaat na verloop van tijd steeds groter zal worden.

Talenten en vaardigheden
Reïncarnatiegevallen zoals die in de parapsychologie bestudeerd worden, wijzen uit dat niet alleen iemands persoonlijke herinneringen en emoties bewust terug kunnen komen na reïncarnatie, maar ook zijn gedragspatronen, voorkeuren, neigingen, attitudes, etc (eindnoot 3). Er is dan ook geen reden om te veronderstellen dat het overleven van je psychische structuren voorbehouden is aan enkele concrete herinneringen. Ook wat iemand zich doelbewust geestelijk eigen heeft gemaakt zal in het nieuwe leven waarschijnlijk worden weerspiegeld in zijn psychologische structuur. Kinderen met herinneringen aan een vorig leven waarin ze een bepaalde vreemde taal goed beheersten, kunnen in hun huidige incarnatie bijvoorbeeld opvallend minder tijd nodig hebben om die taal aan te leren dan hun leeftijdgenoten. In sommige gevallen is het verworven vermogen uit het vorige leven niet alleen overgebleven als talent, maar keert het in dit leven ook terug als manifeste vaardigheid.
Parapsychologisch gezien maakt dit verschijnsel een geval direct paranormaal, omdat de vaardigheid niet aangeleerd is in dit leven en niet simpelweg verklaard kan worden door genetische aanleg (Rivas, 1993). De aanwezigheid van vaardigheden wordt bovendien regelmatig ingezet als argument tegen de ESP-theorie voor reïncarnatiegevallen, omdat alleen ESP als zodanig de aanwezigheid van een vaardigheid niet kan verklaren. Bekende gevallen waarin dergelijke vaardigheden voorkwamen zijn onder andere Swarnlata Mishra (zang en dans (eindnoot 4)) en Bishen Chand Kapoor (kundig bespelen van een muziekinstrument (eindnoot 5)).

De Indiase reïncarnatieonderzoeker dr. Kirti Swaroop Rawat deed tevens onderzoek naar kinderen met zeer ongewone talenten of aangeboren vaardigheden, ongeacht of ze zelf praatten over een vorig leven. Zo bestudeerden hij en zijn vrouw Vidya Rawat in 1996 een Indiase jongen van vier, Shailendra genaamd. De jongen kwam uit een gezin van arme analfabeten maar hij bleek vloeiend Hindi, Engels en Sanskriet te kunnen lezen. Het is volgens Rawat overigens opvallend dat er slechts in bepaalde gevallen van hoogbegaafdheid sprake lijkt te zijn van bewuste herinneringen aan een vorig leven, en omgekeerd zijn kinderen met bewuste herinneringen aan een voorgaande incarnatie zelden echte ‘wonderkinderen’. Dat geeft aan dat er geen eenduidig verband bestaat tussen vaardigheden en bewuste herinneringen uit vorige levens.
In het Nederlandse geval Sh. zie je die combinatie trouwens wel. Sh. werd door het bekende team van dr. Mönks van de Katholieke Universiteit Nijmegen officieel als hoogbegaafd geïdentificeerd. Zij vertoonde daarbij bewuste herinneringen aan maar liefst twee vorige levens (Rivas, 2000).
Hoe dan ook is het wel duidelijk dat ook vaardigheden zonder bewuste herinneringen in veel of misschien wel alle gevallen te maken zullen hebben met iemands ontwikkeling in een vorig leven. Daarmee snijdt de gangbare opvatting dat wonderkinderen wijzen op het bestaan van reïncarnatie dus wel degelijk hout.

Indigo-kinderen
Sinds enkele jaren is er in alternatieve kringen een concept in opkomst dat wordt aangeduid met de woorden Indigo-kinderen of nieuwetijdskinderen. De term Indigo-kind stamt van een boek van Lee Carroll en zijn vrouw Jan Tober. Tijdens channelingsessies met de entiteit Kyron zou Carroll hebben doorgekregen dat een aantal ‘probleemkinderen’ die gediagnosticeerd worden als ADHD e.d. in werkelijkheid beschikken over speciale paranormale en andere gaven. Ze worden gekenmerkt door een bijzondere gevoeligheid en ze zijn voorboden van een nieuwe tijd waardoor ze niet goed passen in traditionele maatschappelijke en culturele vormen. In Nederland lijkt de neutralere term nieuwetijdskind de term indigo-kind overigens te hebben verdrongen, hoewel de betekenis ervan grotendeels overeenkomt.
Skeptici zien de relatieve ‘hype’ rond nieuwetijdskinderen uiteraard als de zoveelste gekte op alternatief gebied. Volgens hen is er alleen maar weer een nieuwe vorm van bijgeloof bijgekomen, terwijl het diagnosticeren van een kind als ‘nieuwetijdskind’ zijn eventuele problemen zeker niet zal oplossen. Wat mij zelf opvalt aan de verhalen rond onbegrepen paranormale en andere bijzondere ervaringen van jonge kinderen is dat die helemaal niet voorbehouden lijken aan dit specifieke tijdvak. Naar alle waarschijnlijkheid zijn er altijd wel gevoelige, vroegwijze en paranormaal begaafde kinderen geweest. Dat is zelfs wat je zou voorspellen vanuit een theorie van persoonlijke evolutie over verschillende incarnaties. Dat hier nu meer aandacht voor is gekomen heeft misschien dan ook eerder te maken met een grotere openheid voor dit verschijnsel dan met het aanbreken van een nieuwe tijd. Hier komt wel een paradox bij kijken, want de grotere openheid kan in theorie weer opgevat worden als een teken van een spiritueel réveil.
Hoe dan ook is het van groot belang dat ouders de reguliere hulpverlening niet helemaal de rug toekeren zodra iemand de mogelijkheid oppert dat hun kind een nieuwetijdskind is. Als een nieuw concept tot op zekere hoogte nuttig lijkt, wil dat nog niet per se zeggen dat men al het oude bij het vuilnis moet zetten.

Eind 2002 heeft stichting Athanasia de jongen Bo Monsanto onderzocht die volgens zijn moeder Toinette Loeffen in het profiel van een nieuwetijdskind past (Rivas, 2003b). Naar gangbare maatstaven gemeten zou hij ten gevolge van een hersenbloeding vlak voor of tijdens de geboorte ‘achter in zijn ontwikkeling’ of ‘gehandicapt’ worden genoemd. Maar desondanks vertoont Bo wonderlijke inzichten en een gevoeligheid die normaliter niet direct geassocieerd worden met handicaps.
Toen de vierjarige Bo zich ’s nachts een keer benauwd voelde terwijl zijn overgrootmoeder Esseline ernstig ziek was, zei hij plotseling tegen zijn moeder: “Toen ik klein was, mamma, toen ben ik ook een keer dood gegaan. Toen ging ik ook naar de hemel en toen ben ik bij pappa en jou gekomen.” Na het overlijden van zijn overgrootoma, toen Bo ongeveer vijf jaar oud was, voegde hij daar onder meer aan toe: “Je gaat dood en wordt weer levend en gaat weer dood. En als je dood gaat, dan zie je het [dat je dood gaat].” Bo’s moeder vertelde ons dat ze het aanvankelijk moeilijk had met dergelijke uitspraken omdat ze zelf echt ‘aards’ georiënteerd was. Naar aanleiding van haar ervaringen met haar zoon schreef Mevrouw Loeffen een artikel in twee delen voor het blad Kind en Nieuwe Tijd, de nieuwsbrief van de Stichting Nieuwetijdskinderen, getiteld Ons nieuwetijdskind Bo.

Heilige kinderen?
Naast ‘wonderkinderen’ en nieuwetijdskinderen met of zonder bewuste herinneringen aan vorige levens is er van oudsher ook nog melding gemaakt van een categorie kinderen die vanaf hun vroegste jeugd een bijzondere spiritualiteit en devotie tentoonspreiden. Een bekend voorbeeld is natuurlijk dat van Jezus van Nazareth. Zo schrijft de evangelist Lucas over hem: “Elk jaar trokken zijn ouders voor het paasfeest naar Jeruzalem. Toen Hij twaalf was geworden gingen ze weer, gewoontegetrouw. Toen de feestdagen voorbij waren en ze naar huis terugkeerden, bleef het kind Jezus in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten. In de veronderstelling dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze Hem gingen zoeken bij familie en kennissen. Maar toen ze Hem niet vonden, keerden ze naar Jeruzalem terug om Hem daar te zoeken. Pas na drie dagen vonden ze Hem in de tempel; Hij zat er midden tussen de rabbi's, luisterde naar hen en stelde hun vragen. Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen ze Hem daar zagen, waren ze zeer ontdaan. Zijn moeder zei: `Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren.' Hij zei tegen hen: `Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?' Maar zij begrepen deze uitspraak niet. Hij ging met hen mee naar Nazaret, en schikte zich naar hen. Zijn moeder bewaarde alles in haar hart. Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen” (Lucas, 2, 41-52).

Ook bij kinderen die zich bewust een vorig levens herinneren komen regelmatig uitingen van religiositeit voor die te maken hebben met de levenswandel uit het vorige leven. Soms gaat het daarbij om een vorm van godsdienstigheid die niet correspondeert met die van de huidige omgeving (Stevenson, 1987). Bijvoorbeeld wanneer het kind nu boeddhist is en vol vervoering rituelen uitvoert die horen bij een vorig leven als diepgelovig moslim. Hooggeplaatste Tibetaanse lama’s zouden in hun nieuwe reïncarnatie blijk geven van een uitzonderlijk tempo in hun boeddhistische studies en ook los daarvan vaak kennis hebben van ultieme geestelijke waarheden.
Zo zijn er ook kinderen met herinneringen aan vorige levens die meer dan gemiddeld mededogen tonen tegenover medemensen en dieren en om die reden bijvoorbeeld ook weigeren om vlees te eten. (Dit kan trouwens ook voorkomen onder de reeds genoemde ‘nieuwetijdskinderen’.)

Het is binnen het theoretische kader van een persoonlijke evolutie goed te plaatsen dat kinderen ook specifiek op spiritueel gebied een voorsprong kunnen hebben op hun omgeving. Misschien dat juist de theorie van de persoonlijke evolutie mensen ervoor kan behoeden dergelijke kinderen direct te gaan ‘vergoddelijken’. Hoewel een kind spiritueel hoogstaand en wijs kan zijn, is het in zijn vorige leven naar alle waarschijnlijkheid een mens geweest en daarmee dus ook feilbaar. Het reïncarnatieconcept beschermt je zo voor een blinde verering van een kind zonder dat je zijn reële spirituele voorsprong hoeft te loochenen.

Literatuur
- Carroll, L., & Tober, J. (1999). The Indigo Children. Hay House.
- Jager, B. (1998). Het intuïtieve kind in het Aquariustijdperk. Deventer: Ankh-Hermes.
- Maslow, A. (1987). Motivation and Personality. New York: Addison-Wesley.
- Prasad, J. (1993). New Dimensions in Reincarnation Researches. Allahabad: Arvind Printers.
- Rivas, T. (1996). Filosofie van de persoonlijke onsterfelijkheid: Grondslagen voor survivalonderzoek. Tijdschrift voor Parapsychologie, 64, 3-4, 27-44.
- Rivas, T. (1999). Het geheugen en herinneringen aan vorige levens:neuro-psychologische en psychologische factoren. Spiegel der Parapsychologie, 37, 2-3, 81-104.
- Rivas, T. (2000). Parapsychologisch onderzoek naar reïncarnatie en leven na de dood. Deventer: Ankh-Hermes.
- Rivas, T. (2003a). Geesten met of zonder lichaam: pleidooi voor een personalistisch dualisme. Delft: Koopman & Kraaijenbrink.
- Rivas, T. (2003b). Uit het leven gegrepen: beschouwingen rond een leven na de dood. Delft: Koopman & Kraaijenbrink.
- Stevenson, I. (1974). Twenty cases suggestive of reincarnation. Charlottesville: University Press of Virginia.
- Stevenson, I. (1975). Cases of the Reincarnation Type: Vol. I. Ten Cases in India. Charlottesville: University Press of Virginia.
- Stevenson, I. (1987). Children who remember previous lives: A question of reincarnation. Charlottesville: University Press of Virginia.
- Stevenson, I. (2003). European Cases of the Reincarnation Type. Jefferson/Londen: McFarland & Company.

Eindnoten
1. Met dank aan Anny Dirven, Dr. Kirti Swaroop Rawat en Dr. Jamuna Prasad.
2. Natuurlijk staat de vraag of dit geval misschien ook nog normaal verklaard zou kunnen worden, hier even niet ter discussie.
3. Dr. Jamuna Prasad (1993) gebruikt in dit verband de hindoeïstische term samskars.
4. Stevenson (1974).
5. Stevenson (1975)


Dit artikel werd gepubliceerd in Prana, nr. 148, april/mei 2005, blz. 47-53.



Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
reïncarnatie, kinderen, filosofie, personalisme, impersonalisme, persoonlijke evolutie, hoogbegaafd, nieuwetijds
printversie
auteur mailen
sluiten