Titel
Vroegere levens op de Titanic
Geplaatst door
T. Rivas
Samenvatting
Titus Rivas bespreekt een Nederlands geval van mogelijke herinneringen aan een vorig leven als passagier van de Titanic.
Tekst

VROEGERE LEVENS OP DE TITANIC

door Titus Rivas

Inleidende woorden van Prana (tijdschrift waarin dit artikel oorspronkelijk verscheen):
Met de grote fascinatie die de film 'Titanic' oproept, bereiken ons ook de eerste verhalen over mensen die zich een vorig leven herinneren waarin dit schip een rol speelt. Onze medewerker Titus Rivas onderzocht al in de jaren tachtig een dergelijk geval.

In 1988 werd ik via het Parapsychologisch Instituut te Utrecht benaderd door de heer F.H. uit A., een gepensioneerd ingenieur. De heer H. werd in 1946 uit Nederlandse ouders geboren in Nederlands-Indië. Om de vier jaar reisde de familie van Indië naar Holland. Na in Indië de HBS te hebben gevolgd, studeerde hij van 1934 tot 1939 in Zürich techniek. Na de oorlog bekleedde hij lange tijd een topfunctie bij een groot bedrijf.
Hij vertelde mij sinds lang losse 'beelden' te hebben gehad die betrekking hadden op een scheepsramp. In 1973 was hij tot een reconstructie of 'model' gekomen op basis van deze beelden. Deze reconstructie hield in dat hij in zijn vorig leven als jong kind met zijn moeder op een schip uit Engeland naar de USA was vertrokken, en daarbij de voorlaatste dag uit huis was gegaan. Hij zou hebben gelogeerd bij een tante en van daaruit met een auto naar de 'Underground' zijn gereden. Per metro en trein zou hij vervolgens de kade waar zijn schip lag hebben bereikt. Na enkele dagen te hebben gevaren zou het schip zijn gezonken, en hij zou daarbij zijn omgekomen. Op zoek naar een ramp waarop al zijn beelden van toepassing zouden zijn, deed H. zjjn verhaal aan zijn getrouwde dochter en haar man. Zijn schoonzoon gaf hem zijn boek over de Titanic. Dit was het eerste boek dat H. over deze scheepsramp in handen kreeg. Uit bepaalde details meende H.
te moeten opmaken dat het inderdaad om de ramp ging waarin hij het leven zou hebben gelaten. Bovendien herinnerde hij zich een gebeurtenis, waarbij zijn naam werd genoemd:
Tijdens de overnachting bij zijn tante zou hij zijn tweede verjaardag hebben gevierd. Zijn nichtje zou hem daarbij zijn naam hebben laten zeggen. Dit klonk als 'A..ed' (op zijn Engels uitgesproken). Op basis van die concrete herinnering ging hij op zoek in een passagierslijst, opgenomen in het boek van zijn schoonzoon. Zich herinnerend dat hij derde klas had gereisd, vond H. op die manier een zekere Alfred Peacock die met zijn moeder en zus zou hebben gereisd. Later, in 1985, zou hij in het geboortenregister van St. Catherine's House te Londen, onder deze naam hebben gezocht. Hij zou inderdaad een Alfred Peacock hebben gevonden die op de vertrekdatum van de Titanic (10-4-1912), nl. op 10 april 1910 was geboren, en wel te Romford, Londen. De heer F.H. beschouwde deze datum als een uniek bewijs voor de juistheid van zijn reconstructie. Zijn enthousiasme voor zijn eigen geval was dan ook groot en hij was bereid alle benodigde medewerking te verlenen aan een wetenschappelijk onderzoek. Hiertoe zocht ik m.n. de hulp van Dr. Alan Gauld, verbonden aan de Universiteit van Nottingham, en een verdienstelijk onsterfelijkheidsonderzoeker. Op diens aanwijzingen werden later ook de schrijver George Behe, Donald Lynch en Brian J. Ticehurst ingeschakeld. Deze betrokken op hun beurt Geoff Whitfield bij het onderzoek.

Overzicht van H's voornaamste beweringen

– Hij heette 'A..ed', hetgeen gereconstrueerd 'Alfred Peacock' oplevert.

– Op de dag van vertrek werd hij twee jaar oud.

– Men vierde zijn verjaardag echter reeds dag ervoor, toen hij logeerde bij een tante van moederskant in of nabij Hampstead, Londen.

– Bij deze verjaarspartij was een 14- of 15-jarig nichtje aanwezig.

– Zijn tante was welgesteld en bezat een oude auto (1903-5).

– In deze auto werden Alfred, zijn moeder en zijn zus naar de metro gereden.

– Aan boord was hij het enige kind dat overdag bij zijn moeder bleef. De overige kinderen gingen naar een soort crèche.

– Bij reisde derde klas, maar had een mooie hut waarin ze met zijn drieën liepen, terwijl hij eigenlijk voor vier personen bedoeld was.

– Alle passagiers kregen een rondleiding ver het gehele schip.

– De Peacocks hadden tijdens de reis toegang tot de tweede klas, misschien door sociale connecties.

– Hij herinnerde zich de locatie van zijn hut.

– Hun lijken werden geborgen en in de V.S. begraven.

– Zijn vader was naar Canada of de V.S. vertrokken vóór de ramp met de Titanic.

Het onderzoek
Alvorens te pogen H's herinneringen te verifiëren, heb ik getracht getuigen te vinden voor de verschillende stappen die hij in zijn bewijsvoering zou hebben gezet. Dit stuitte op groot onbegrip bij de heer H. en ik kreeg dan ook niet echt de gelegenheid om dit te ondernemen. Gedwongen deze belangrijke fase over te slaan, stuurde ik een brief naar Alan Gauld met net verzoek mij te helpen bij de verificatie van de herinneringen. Gauld beschikte zelf over Walter Lords boek en kon me zo meedelen dat de relevante namen in de passagierslijst Peacock, Alfred (infant); Peacock, Treasteall en Peacock, Treasteall (child) luidden. Hij raadde mij aan een kopie van het geboortecertificaat aan te vragen bij St. Catherine's House. Tevens zou ik er dan een kopie van een eventueel testament van Treasteall Peacock kunnen aanvragen.
Eind juli 1989 ontving ik bericht dat er geen testament van Treasteall Peacock bekend was. Half oktober 1989 volgde inderdaad een kopie van het geboortecertificaat van de gezochte 'Alfred Peacock uit Romford'. Deze Alfred bleek echter in tegenstelling tot H's beweringen op 3 juni 1910 geboren te zijn! Zijn moeder heette bovendien geen Treasteall, maar Amy Emma Peacock.
Gauld was zo vriendelijk om deze merkwaardige ontkrachting van de kern van H's 'bewijs' verder te staven. Hij belde daartoe de plaatselijke 'Registrar of Births, Deaths and Marriages' op, die bevestigde dat er inderdaad slechts één relevante Alfred Peacock geregistreerd stond in Romford. Ook de plaatselijke bibliotheek in Romford werd ingeschakeld die een speurtocht in kranten ondernam naar een vermelding van de dood van Alfred Peacock in 1912. Eveneens zonder resultaat. Dr. Gauld en ik concludeerden daarom allebei dat de bewuste Romford-Alfred niet dezelfde kon zijn als de Alfred Peacock die vermeld stond in Walter Lords boek. En daar ging F.H's 'unieke bewijs' dus! Op Gaulds advies schreef ik vervolgens brieven aan de British Titanic Society, aan George Behe, en aan de (Amerikaanse) Titanic Historical Society. Begin december 1989 ontving ik reeds antwoord van Donald Lynch van de Titanic Historical Society. Hij verstrekte me de volgende informatie:

– Volgens London's Public Record Office was Alfred E. Peacock 7 maanden oud. Volgens de Amerikaanse National Archives heette hij echter Albert Edward Peacock en was hij l jaar oud.
– Hij reisde met zijn moeder Treasteall Peacock, die volgens Londen 26 en volgens Amerika 27 jaar oud was, en zijn zusje Treasteall, van 4 resp. 3.
– Volgens Londen was hun adres: 'Mrs. Elkins, 35 Orchard Place'.
– Volgens de National Archives heette Alfreds ('Alberts') vader Benjamin Peacock.
– De Britse krant 'Falmouth Packe' van 26 april 1912 meldt dat Mrs. Peacock geboren werd in Carnkie, bij Redruth, Cornwall. Haar moeder was ene Mrs. Nile uit Carnkie, en zij had een zus, Mrs. Goldworthy, die in Redruth woonde. Ze was 28 jaar oud en was in 1908 in Londen getrouwd.
– Geen van de lijken van de Peacocks werd geborgen.

Enkele dagen later bereikte me een brief van de schrijver George Behe, met een bericht uit de krant 'Newark Evening News' van april 1912. Hierin wordt opnieuw melding gemaakt van ene Benjamin Peacock. Hij zou één jaar geleden uit Engeland zijn vertrokken en toen zijn vrouw en één kind van 3 jaar hebben achtergelaten. Na zijn aankomst in de V.S. zou er een tweede kind zijn geboren, dat hij nooit had gezien!

Rond de jaarwisseling ontving ik nog een tweede brief van Donald Lynch, met de volgende inhoud:

– Derde klas-passagiers kregen tijdens de reis geen toegang tot andere delen van het schip.
– Er was geen crèche of kinderdagverblijf aanwezig op de Titanic.
– Helaas bestaan er geen registers van de derde klas-hutten, zodat de herinnering eraan onverifieerbaar blijkt.

Tenslotte kreeg ik in april 1990 een bericht van Brian J. Ticehurst, een 'Titanic Researcher and Shipping Historian'. Deze vertelde me dat de Peacocks gedurende zeer korte tijd in Queens Terrace, Sout-hampton, verbleven, op kamers boven een General Shop. Zij hadden geen andere connecties in Southampton.
H's reactie op de 'falsificaties' van zijn herinneringen luidde ten eerste dat er toch nog een andere Alfred Peacock moet zijn geweest, die wel degelijk op 10 april 1910 in Romford werd geboren en dus twee jaar oud was op de dag van vertrek. Om deze reden stelde Alan Gauld op mijn verzoek in het archief een lijst samen van alle relevante Alfred Peacocks uit de betreffende periode. Het bleken er in totaal 12 te zijn geweest, hetgeen overigens aangeeft dat de naam tamelijk vaak voorkwam, maar geen van hen kwam overeen met de door H. gepostuleerde 'echte Titanic+Romford Alfred Peacock'. Het is dus zeer onredelijk om te geloven dat er toch nog zo'n Alfred heeft bestaan. H. moet zich dus schromelijk hebben vergist in 1985 toen hij zijn gegevens in St. Catherine's House noteerde.

Wat betreft de gevonden leeftijden (7 maanden en l jaar) opperde H. de mogelijkheid dat zijn moeder expres 1911 als geboortejaar zou hebben opgegeven bij de Titanic-boeking omdat ze anders het kind overdag niet bij zich had kunnen houden. Aangezien er echter geen kinderdagverblijf bestond op het schip, kunnen we ook deze mogelijkheid met zekerheid uitsluiten. Vervolgens zou er volgens H. nog steeds een taboesfeer rond de Titanic hangen i.v.m. schadeclaims. Om daarom de gegevens van serieuze geschiedkundige verenigingen te verwerpen, lijkt echter geenszins begrijpelijk.
Tenslotte zouden de gegevens uit Amerika ofwel uit de tweede of derde hand ofwel helemaal niet te vertrouwen zijn. Deze veronderstelling is echter op los z
and gebaseerd. Samenvattend zijn H's tegenwerpingen dus geen van alle steekhoudend.
Conclusies
Het is duidelijk dat H's herinneringen met geen mogelijkheid in overeenstemming te brengen zijn met de geregistreerde gegevens. Vooral wat betreft de volgende punten is er sprake van een onoverbrugbare discrepantie:

– Alfred Peacock was op de dag van vertrek niet ouder dan l jaar zijn vader had hem niet eens gezien.
– Er is geen enkele aanwijzing dat hij precies jarig was op de dag van vertrek.
– Er is geen tante bekend die woonde in of nabij Hampstead en een oude auto bezat.
– Er was helemaal geen crèche aanwezig op de Titanic.
– Er werden geen lijken geborgen van de verdronken Peacocks.

H's bezwaren tegen de betrouwbaarheid van deze informatie zijn mijns inziens zoals gezegd volstrekt ontoereikend, en worden daarom verworpen.
Op basis van deze gegevens rest ons niets anders dan dit geval als een complexe fantasie te beschouwen. Voor H. zelf is dit nooit een reële optie geweest. Zo schrijft hij in een brief van 11 januari 1990: "Dit is (geheugen)waarheid – als 't leugens, verzonnen dus, van mij zijn dan heb ik mijn beroep als mogelijke romanschrijver misgelopen, want dit zouden toch wel geniale leugens dan wel fantasieën zijn". De lezer kan dit misschien overdreven vinden, maar men dient te weten dat H. in feite niet zijn losse beelden aan mij opdiste, maar de minutieuze reconstructie die bijna elke opvallende gebeurtenis, vanaf het vermeende vertrek uit Romford tot de berging van zijn lijk, omvat. H. sprak dan ook meermalen van een boek dat hij met zijn herinneringen zou kunnen vullen. Dat doet denken aan andere volwassenen die werkelijk hele romans hebben volgeschreven op basis van hun pseudo-herinneringen, zoals de Nederlander Ruud de Kwaadsteniet.

Telepathie
In het algemeen is mij gebleken dat H. sterk emotioneel betrokken was bij zijn eigen geval. Eén keer lijkt dit zelfs geleid te hebben tot een telepatisch rapport tussen ons beiden. Zonder dat H. dit wist, had ik hem een belangrijke brief gestuurd. Aangezien ik de volgende morgen - tegen diens gewoonte in - werd opgebeld door H., concludeerde ik dat hij zich niet kon bedwingen direct op mijn schrijven te reageren. Dit was echter niet het geval. De brief was nog niet aangekomen en H. had slechts de aandrang gevoeld om mij te bellen. Daarnaast stuurde hij mij ettelijke malen uitvoerige epistels waaruit een duidelijke frustratie over onze resultaten sprak en een meer algemene teleurstelling over de gevestigde wetenschap. Helaas heb ik H. niet ervan kunnen overtuigen dat hij waarschijnlijk nooit als Alfred Peacock bij de ramp met de Titanic is verdronken. Ook heb ik geen andere informatie over H's psychologische achtergrond kunnen vergaren, omdat H. in zeer precaire medische en sociale omstandigheden verkeerde en daarom slechts beschikbaar was voor zover het pogingen tot verificatie en bewijsvoering betrof.
Derhalve kan ik enkel tot een voorlopige analyse komen:

1. Het is zeker dat het thema van een 'grote zeereis' al vroeg in F.H's leven voorkwam, omdat hij in zijn jeugd meermalen van Indië naar Nederland reisde.
2. Bovendien is hij slechts enkele jaren na de ondergang van de Titanic geboren, hetgeen op zich suggestief kan hebben gewerkt. Dit is immers een zeer beruchte, zo niet de beruchtste ramp uit de 20e-eeuwse scheepvaartgeschiedenis.
3. De details die hij naar voren brengt zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal onjuist, zodat die op rekening van willekeurige fantasie en ijverige reconstructie kunnen worden geschreven.
4. De helderheid en levensechtheid van de herinneringen wijst op een vorm van dissociatie.

Deze analyse laat echter twee vragen onbeantwoord:
– Waarom koos H. een 'infant' uit als vorige persoonlijkheid?
– Waarom gingen de fantasieën gepaard met een vorm van dissociatie? Mogelijk kan studie van soortgelijke gevallen van fantasie deze raadsels ooit nog oplossen.

Andere fantasieën
F.H. blijkt niet de enige te zijn die beweert met de Titanic ten onder te zijn gaan. Brian J. Ticehurst vermeldt in een brief van november 1990 dat hij zelf en Donald Lynch reeds dikwijls met zulke beweringen zijn geconfronteerd. Ook George Behe heeft over vergelijkbare gevallen geschreven. Kortgeleden, op 27 maart 1998, werd dit nog eens bevestigd door een e-mail die ik ontving in verband met het reïncarnatie-forum op internet van Carol en Steve Bowman. De e-mail is afkomstig van ene Theresa, iemand die zeer actief deelneemt aan het forum:

'Wat mensen zo aangrijpt rond deze film ('Titanic') is dat je er het gevoel bij hebt dat jij er ook bij was. Je moet weten dat ik correspondeer via internet met penvrienden die allemaal op één punt gelieerd zijn aan de Titanic, namelijk dat we er allemaal zelf op zaten.
Het begon ermee dat ik een bericht ophing aan een elektronisch prikbord voor tieners die spirituele ervaringen willen delen met elkaar. Ik schreef dat ik dacht dat ik een mogelijk vorig leven had op de Titanic, en dat ik nieuwsgierig was naar anderen die dat gevoel ook hadden. Eén knul schreef terug en zei dat ik misschien aan het hallucineren was. Hij was niet sarcastisch of kritisch; hij zei dat hij vroeger hetzelfde gevoel had gehad als ik, totdat hij wat onderzoek had gedaan en toen was gestuit op een fenomeen in het Oosten waar massa's mensen dachten dat ze heiligen uit het verleden waren. (...) Maar toen andere mensen ook naar voren traden met hun ervaringen, staken we onze koppen bij elkaar, en probeerden uit te vissen wat er gaande was. Die jongen deed ook mee, en we hebben theorieën opgesteld. Voor de grap noemen we kenmerken van wat we door hebben gemaakt 'The Titanic Complex'. Het eerste symptoom: terwijl je naar 'Titanic' kijkt, krijg je een soort fysieke gewaarwording alsof je op een bepaald punt in de film zelf op het schip bent. Ik zelf voelde me zeeziek gedurende ongeveer de helft van de film. Tijdens de tweede helft van de film, had ik het ijskoud, ook al droeg ik een lekker warme trui met een spijkerbroek en dikke sokken. Een paar vrienden van mij vertelden me dat ze moesten hoesten en keelpijn kregen toen ze het schip op het witte doek zagen zinken. Niemand van ons huilde echt tijdens de film, maar pas toen we thuis waren gekomen en het volle gewicht van wat we hadden gezien tot ons doordrong. Vraag maar eens aan iemand die de film gezien heeft of hij wel of niet gehuild heeft, en in negen van de tien gevallen zullen ze zeggen van wel. En dit is een ander teken dat je meevoer met de Titanic in een vorig leven. Geef antwoord op de vraag 'Geloof jij dat Captain Smith verantwoordelijk was voor het zinken van de Titanic?' Iedereen aan wie ik dat gevraagd heb, die ja zei, en boos op hem was, hem als enige de schuld van alles gaf, bevond zich niet aan boord van de Titanic. Mensen die zeggen dat hij geen fouten had gemaakt of die zeggen dat hij wel gefaald heeft, maar hem daarom niet haten of razend op hem zijn, waren hoogstwaarschijnlijk wel op het schip, hoewel je dat natuurlijk per geval moet bekijken.'

Uniek in dit geval is het feit dat volledig bewezen mag heten dat de persoon in kwestie ongelijk heeft. Ticehurst zei hier echt blij mee te zijn. Het voorgaande toont aan dat er waarschijnlijk bepaalde algemene thema's bestaan waarover mensen onbewust geneigd zijn een reïncarnatie-fantasie te creëren.

Dankbetuiging
Mijn dank gaat allereerst uit naar F.H. zelf. Vervolgens ben ik Martine Busch, Don Lynch, George Behe, Brian J. Ticehurst, Geoff Whitfield en Eric de Maeyer erkentelijk voor hun medewerking en adviezen. Zonder het onvermoeibare werk van Dr. Alan Gauld tenslotte was dit onderzoek volstrekt onmogelijk geweest.

Noot van de schrijver: Van bovenstaand artikel zijn inmiddels een (deels ietwat uitgebreidere) Engelstalige versie en samenvatting in omloop. Het artikel is inmiddels in de Journal of the Society for Psychical Research, verschenen, jaargang 1991, nummer 58, 10-15.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1998 in Prana, nr. 107, juni/juli, blz. 83-88.

Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
reïncarnatie, parapsychologie, fantasie, dissociatie, verificatie, samenzwering, verbeelding, titanic
printversie
auteur mailen
sluiten