Titel
Wat voor een implicaties heeft bewustzijn bij een bijna-doodervaring?
Geplaatst door
T. Rivas
Samenvatting
Titus Rivas staat stil bij de vraag of het gerechtvaardigd is te extrapoleren van ervaringen tijdens een vlak EEG naar bewustzijn naar de dood.
Tekst
Wat voor een implicaties heeft bewustzijn bij een bijna-doodervaring tijdens een vlak EEG voor bewustzijn na de dood?

door Titus Rivas

Sommigen stellen dat we niets te weten kunnen komen over een hiernamaals zolang we zelf nog sterfelijke mensen zijn. Deze agnostische stelling gaat uit van de gedachte dat een hiernamaals nooit van invloed kan zijn op het aardse leven, en dat kan alleen waar zijn als het bewijsmateriaal voor een bewust voortbestaan, communicatie met overledenen en reïncarnatie het best verklaard kan worden door de onbewuste werking van de geest van levenden. Ik geloof zelf allerminst dat dit het geval is, maar ik zal me hier slechts bezighouden met de vraag of het voortbestaan van het bewustzijn tijdens een vlak EEG implicaties heeft voor bewustzijn na de dood.

Bewustzijn zonder actieve hersenschors
Tenzij we de minder zuinige, vergezochte hypothese omhelzen van retrocognitie (buitenzintuiglijke waarneming van gebeurtenissen in het verleden), lijken sommige bijna-doodervaringen er zeker op te wijzen dat het bewustzijn er nog kan zijn tijdens een toestand van klinische dood, terwijl het brein een vlak EEG voortbrengt.
Dit wordt simpelweg ontkend door dogmatische skeptici, maar het bewijsmateriaal wordt alleen maar sterker. Nu beweren sommige critici dat bewustzijn zonder een actieve hersenschors oftewel cortex om het te ondersteunen, geen implicaties heeft voor de mogelijkheid van een bewustzijn na de dood. Met andere woorden, we kunnen weliswaar te weten komen dat het bewustzijn naar alle waarschijnlijkheid een vlak EEG overleeft, maar we zouden nog steeds volledig agnostisch moeten blijven over de vraag wat er met het bewustzijn gebeurt nadat het brein is vernietigd. Is dit een redelijke positie?

Mogelijke tegenwerpingen tegen de extrapolatie van bewustzijn tijdens een vlak EEG naar onomkeerbare hersendood
Laten we eerst eens stilstaan bij de vraag wat voor een tegenargumenten er kunnen zijn tegen het extrapoleren van bewustzijn tijdens een vlak EEG naar mogelijk bewustzijn na de dood. (Ik maak hier onderscheid tussen klinische dood als een toestand die in principe fysiek omkeerbaar is en hersendood als een toestand die onomkeerbaar zou zijn. Als deze termen medisch gezien onjuist zijn, dient de lezer ze te vervangen door de juiste terminologie.)

1. Onomkeerbare hersendood verschilt fysiologisch beschouwd van het ontbreken van hersenactiviteit
Het is duidelijk dat onomkeerbare hersendood fysiologisch gezien verschilt van een tijdelijke toestand van klinische dood waarna de hersenactiviteit weer op gang wordt gebracht. Maar is dit echt wel zo relevant in dit verband? We hebben hier uitsluitend te maken met de functionele uitval van de hersenactiviteit als zodanig, en niet met de exacte mechanismen achter die uitval of met de vraag of de uitval tijdelijk is of definitief. Wat wel relevant is zijn de hersenprocessen waarvan verondersteld wordt dat ze het bewustzijn belichamen of ondersteunen. Het is verder irrelevant of die hersenprocessen weer op gang gebracht zullen worden of niet.
Ik kan me slechts één soort fysiologisch verschil voorstellen dat in theorie relevant zou kunnen zijn. Namelijk dat er in diepere lagen van de hersenen tijdens de toestand van klinische dood een of andere vorm van fysiologische activiteit zou zijn die de ondersteuning van het bewustzijn zou overnemen van de cortex. Er zijn echter geen aanwijzingen die het aannemelijk maken dat zulke niet-corticale processen het soort verruimde bewustzijn kunnen ondersteunen dat wordt gemeld in verband met BDE's. Tot dusverre hebben we geen reden om te geloven in de relevantie van processen in diepere lagen van de hersenen tijdens een toestand van klinische dood.
Daarbij ben ik me ervan bewust dat BDE-onderzoeker Melvin Morse de gedachte aanhangt dat “structuren diep in de temporale kwab en daaraan gelieerde limbische structuren de ervaring 'mediëren' en dat het geheugen en de waarneming van bewustzijn [sic] niet afhangen van functionerende corticale structuren.” Ik ben echter niet op de hoogte van het bestaan van empirisch bewijsmateriaal dat zou uitwijzen dat activiteit in genoemde structuren specifiek verbonden zou zijn aan bewustzijn. Als zijn theorie juist is, zou er bij BDE's sprake moeten zijn van verhoogde, ongewone activiteit in zulke hersengebieden tijdens een vlak EEG, omdat die gebieden volgens de theorie corticale functies zouden overnemen. Zolang zulke aanwijzingen er niet zijn, blijft de theorie volledig speculatief, en bovendien onaannemelijk wanneer je er naar kijkt vanuit een algemener neuropsychologisch perspectief dat een verruimd, helder bewustzijn specifiek in verband brengt met het corticale functioneren en niet met activiteit in diepere structuren onafhankelijk van dat corticale functioneren. Daarbij is het van belang te beseffen dat we het niet over primitieve vormen van bewustzijn hebben, maar over een volwaardig, helder menselijk bewustzijn dat gepaard kan gaan met een typisch menselijk niveau van denken, herinnering en wilsuitingen. Het is niet te verwachten dat niet-corticale delen van de hersenen zomaar opeens de veronderstelde bijzonder complexe functies van de cortex kunnen overnemen tijdens de klinische dood. Dit zou namelijk betekenen dat er van het ene moment op het andere een reorganisatie van de hersenen zou plaatsvinden die vanuit een orthodox neuropsychologisch gezichtspunt weliswaar aannemelijk kan zijn bij zuigelingen zolang hun hersenstructuren nog in ontwikkeling zijn, maar toch nooit bij een ouder kind of een volwassene en al helemaal nooit van het ene moment op het andere.
Resultaten van experimenten die gericht zijn op de nabootsing van BDE's waarbij men bepaalde hersengebieden kunstmatig stimuleert kunnen alleen van belang zijn voor deze kwestie als de stimulatie gepaard gaat met een vlak EEG.
Het is niet voldoende dat dieper liggende structuren in de temporale kwab of het limbisch systeem worden geprikkeld, maar het zou noodzakelijk zijn dat zij een verruimd bewustzijn veroorzaken terwijl de hersenschors zo weinig activiteit vertoont dat ze niet gemeten kan worden door middel van een EEG.
Tenzij dit empirisch wordt aangetoond, heeft Pim van Lommel gelijk als hij de theorie van restactiviteit in de hersenen verwerpt als aannemelijke verklaring van bewustzijn tijdens de klinische dood.

Bovendien heeft Peter Fenwick de volgende uitspraak gedaan tijdens zijn Bruce Greyson Lezing in 2004: “Het vlakke electroencephalogram (EEG), dat erop wijst dat er geen hersenactiviteit is tijdens een hartstilstand, en de hoge frequentie van hersenbeschadiging na een hartstilstand, voeren allebei tot de conclusie dat de bewusteloosheid tijdens een hartstilstand volledig is. Er zijn geen argumenten voor de stelling dat er 'gedeelten' van de hersenen zijn die nog functioneren; want dat is niet zo.”
Dit alles is ook relevant voor de theorie dat er tijdens het vlakke EEG nog voldoende activiteit zou zijn in de cortex zelf. Hoewel ik nog wel wil aannemen dat restactiviteit in de hersenschors een eenvoudige of beperkte vorm van cognitieve activiteit kan verdisconteren die vergeleken kan worden met associatief dromen, is dat nog iets heel anders dan aannemen dat zulke processen daadwerkelijk het hoge niveau van mentaal functioneren bij BDE's kunnen verklaren.
Verder is er een goed gedocumenteerd geval van een paranormale BDE, namelijk de bijna-doodervaring van Pam Reynolds, waarin het voor de operatie noodzakelijk was dat er helemaal geen meetbare hersenactiviteit was. Als we dit geval serieus nemen, dan moeten we ook toegeven dat geen enkel deel van haar hersenen (en ook niet haar brein als geheel) voldoende actief geweest kan zijn om haar BDE te verklaren.
Zelfs als haar paranormale waarneming van voorbereidingen van de operatie niet gepaard ging met een vlak EEG, vond de rest van haar BDE toch plaats terwijl ze hersendood was in de ruimste zin van dat woord. De chirurg die haar opereerde, dr. Spetzler, heeft toegegeven dat hij haar ervaringen niet kon verklaren door middel van normale mechanismen.

2. Zou het bewustzijn gebruik kunnen maken van de resterende energie van de hersenen tijdens de klinische dood?
Misschien is er wel sprake van bewustzijn tijdens de toestand van klinische dood omdat het bewustzijn werkt als een soort batterij. In dat geval, zou het voldoende energie over kunnen hebben om nog enige tijd te blijven functioneren.
Na de dood zou deze energie uiteindelijk verloren gaan, waardoor het bewustzijn alsnog zou uitdoven.
Dit is een erg vreemde theorie, omdat het bewustzijn volgens het fysicalisme direct, van moment tot moment, wordt veroorzaakt door de hersenen. Er zijn geen empirische aanwijzingen voor een veronderstelde opslag van energie in het bewustzijn en er is ook geen enkele aannemelijke hypothese over hoe het bewustzijn dergelijke energie zou opslaan.
Met andere woorden, deze theorie mag je beschouwen als niet meer dan loutere speculatie zonder enige basis in empirisch onderzoek of logische redeneringen.

3. Dood zijn is niet hetzelfde als de toestand van klinisch dood zijn
Dit argument is feitelijk een variatie op het eerste argument en we mogen het ook op eenzelfde manier verwerpen. Het is onloochenbaar dat de dood fysiek onomkeerbaar is en uitloopt op de volledige ontbinding van het lijk, maar dat is gewoon niet relevant voor de kwestie waar we ons hier op richten. Voor zover we weten zijn er in dit verband geen relevante fysiologische verschillen tussen de dood en de functionele uitval van de activiteit in de hersenschors.

4. Externe factoren na de dood
We mogen dus inderdaad concluderen dat er in dit verband geen relevante verschillen bestaan tussen de toestand van klinische dood en de dood, maar wat te denken van mogelijke externe factoren waar we na onze dood mee te maken zouden kunnen krijgen? Misschien is er bijvoorbeeld wel een onstoffelijke, demonische entiteit die ons opwacht om ons van ons bewustzijn te beroven zodra we onomkeerbaar gestorven zijn. Het is goed te bedenken dat er geen aanwijzingen zijn voor zo'n entiteit zodat deze gedachte volkomen speculatief is.

Samenvattend
Ik denk dat het volkomen redelijk is om te stellen dat er in dit verband geen bekende relevante fysieke verschillen bestaan tussen de klinische dood en de dood, en dat beweringen over mogelijke andere, fysieke of niet-fysieke relevante verschillen volledig speculatief blijven. Voor zover we kunnen overzien, hebben we alle reden om te geloven dat wat we ontdekken over het bewustzijn tijdens een toestand van klinische dood rechtstreeks verband houdt met wat ons te wachten staat na de dood. Daarom luidt de zuinigste hypothese dat het bewustzijn evenzeer de dood overleeft als de tijdelijke klinische dood.

Refenties
- Morse, M. (1994). Near Death Experiences and Death-Related Visions in Children: Implications for the Clinician.
- Rivas, T. (2003). Uit het leven gegrepen: beschouwingen over een leven na de dood. Delft: Koopman & Kraaijenbrink.
- Rivas, T. (2006). Het geval Pam Reynolds: psi en een vlak EEG. Tijdschrift voor Parapsychologie, nr. 1 [369], 10-13.


In 2010 werd dit artikel eerst gepubliceerd in Levenslicht, 21, 13-15 van Limen Flandes en in voorjaar 2010 volgde publicatie in Terugkeer, 21(1), blz. 23-24.

Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
bewustzijn, dood, fysiologie, eeg, bijna-doodervaring, klinische dood, schijndood, hersenactiviteit
printversie
auteur mailen
sluiten