Titel
Recente artikelen in het herfstnummer van 2007 van het Journal of Near-Death Stu
Geplaatst door
T. Rivas
Samenvatting
Het herfstummer van 2007 van het JNDS bevat het tweede deel van een discussie tussen skepticus Keith Augustine en een aantal opponenten over de interpretatie van bijna-doodervaringen.
Tekst
Recente artikelen in het herfstnummer van 2007 van het Journal of Near-Death Studies, 26(1), blz. 1-65.

door Titus Rivas

Het herfstummer van 2007 van het JNDS bevat het tweede deel van een discussie tussen skepticus Keith Augustine en een aantal opponenten. In dit nummer concentreert Augustine zich op de hypothese dat bijna-doodervaringen berusten op een soort hallucinaties.
In zijn stuk 'Near-Death Experiences with Hallucinatory Features' toont Augustine aan dat sommige BDE's aspecten vertonen die niet berusten op een correcte waarneming van de fysieke omgeving. Er bestaan echt bijna-doodervaringen waarin de betrokkene dingen waarneemt die er niet zijn. De vraag is echter wat dit impliceert. Voor Augustine betekent het uiteraard dat alle BDE's waarschijnlijk volledig neerkomen op een soort hallucinaties. Dat is wel erg kort door de bocht, zeker als je bedenkt dat een voortbestaan geestelijk moet zijn en dus ook beïnvloed kan zijn door allerlei onbewuste processen, net zoals dit geldt voor dromen. Dit punt is ook van toepassing op allerlei hallucinatoir overkomende beelden tijdens BDE's die Augustine een aantal pagina's later behandelt, zoals ontmoetingen met pratende insecten, Elvis Presley, Nintendo-helden of knuffelbeesten.
Een nog zwakker argument voor de hallucinatie-hypothese dat Augustine naar voren brengt luidt dat BDE-ers soms lichamelijke indrukken krijgen tijdens hun bijna-doodervaring, bijvoorbeeld gevoelens van pijn. Zulke indrukken zijn een stuk minder vreemd dan Augustine denkt, want zolang de patiënt niet definitief dood is, blijft er hoe dan ook een verbinding met zijn stoffelijk lichaam bestaan. Iets dergelijks geldt voor bijna-doodervaringen of sterfbedvisioenen waarbij de patiënt op het moment zelf verbaal te kennen geeft dat hij zijn lichaam verlaat of heeft verlaten. Dat is alleen ondenkbaar als tijdens een uittreding direct elke psychomotorische invloed op de stembanden uitgeschakeld wordt.
Voorts hebben sommige BDE-ers tijdens hun bijna-doodervaring een buitenlichamelijke ontmoeting met iemand die nog in leven is en op dat moment niet buiten bewustzijn verkeert. Volgens Augustine ondergraaft dit fenomeen de hypothese dat BDE's wijzen op een voortbestaan. Dat geldt echter hoogstens voor de specifieke bijna-doodervaringen waarbij dit aan de orde is. Het geldt in ieder geval niet voor BDE's tijdens een vlak EEG, want die blijven onverklaarbaar voor een materialistische hypothese, zelfs als er hallucinaties of droomachtige associaties in voorkomen. Het probleem is natuurlijk dat Augustine het bestaan van zulke bijna-doodervaringen volledig ontkent.
Verder poogt Augustine aan te tonen dat de terugblik tijdens een BDE berust op willekeurige fragmenten van beelden uit iemands geheugen. Zo'n panoramische terugblik zou dus feitelijk niets te betekenen hebben.
Dan zijn er BDE's waarin de BDE-er eerst vrij mag kiezen waar hij wil blijven, vervolgens besluit in een spirituele wereld te blijven en uiteindelijk toch terug moet naar zijn lichaam. Volgens Sabom duidt dit erop dat zo'n BDE puur op hallucinaties moet berusten, maar die conclusie lijkt mij bijzonder fantasieloos.
Nog vreemder is het argument dat veel toekomstvoorspellingen van BDE-ers als Dannion Brinkley helemaal niet uitgekomen zijn. Brinkley voorspelde bijvoorbeeld ten onrechte dat Saudi-Arabië, Syrië en China een verbond zouden aangaan om in 1992 de Amerikaanse economie ten val te brengen. Dit betekent m.i. echter alleen dat die BDE-ers zich vergist moeten hebben in de interpretatie van hun visioenen.

More Things in Heaven and Earth: A Response to 'Near-Death Experiences with Hallucinatory Features' door Janice M. Holden
Janice Holden is een autoriteit op het gebied van correcte buitenzintuiglijke waarnemingen van de fysieke werkelijkheid tijdens BDE's. Ze stelt o.a. dat sommige discrepanties tussen de waarneming en de fysieke werkelijkheid alsnog ingepast kunnen worden in het model van echte uittredingen uit het lichaam. Bijvoorbeeld door te onderkennen dat de tijdsbeleving van BDE-ers afwijkt van de normale tijdsbeleving of dat niet alle aspecten van de fysieke werkelijkheid even interessant zijn voor de BDE-er. Bovendien betekent het bestaan van echte hallucinaties tijdens sommige BDE's nog helemaal niet dat alle BDE's hallucinatoir moeten zijn. Het verschijnsel dat er soms levende personen in een bijna-doodervaring voorkomen kan voorts ook nog worden gezien als een aanwijzing dat hogere wezens een bekende, vertrouwde vorm kunnen aannemen om de BDE-er gerust te stellen.
Ook wijst ze erop dat indrukken tijdens BDE's zowel buitenzintuiglijk kunnen zijn als zintuiglijk, doordat de band tussen lichaam en geest nog niet verbroken is zolang de patiënt niet overleden is.
Tot slot vermeldt ze dat uit haar grondige literatuurstudie met betrekking tot BDE's met correcte buitenzintuiglijke waarnemingen blijkt dat er slechts in 8% daarvan sprake was van onjuiste indrukken. In veel gevallen (37%) blijkt er juist een onafhankelijke bevestiging te zijn van de juistheid van de waarnemingen. Alleen indien er een enorme onderrapportage van gevallen plaatsvindt, mag men dit feit gewoon negeren.
Ironisch genoeg is Holden Keith Augustine dankbaar omdat hij haar heeft aangezet tot haar literatuuronderzoek op dit gebied.

Commentary on 'Near-Death Experiences with Hallucinatory Features' door Peter Fenwick
Peter Fenwick concentreert zich in zijn reactie terecht op BDE's tijdens een vlak EEG. Het is alleen jammer dat hij de realiteit hiervan lijkt te laten afhangen van bevestiging door middel van experimenten, die tot nu toe nog niets hebben opgeleverd.

Commentary on Keith Augustine's Paper door William Serdahely
William Serdahely stelt dat bepaalde hallucinatoire ervaringen die als bijna-doodervaringen worden opgevat misschien toch geen echte BDE's zijn. Ook zouden sommige BDE's als echte bijna-doodervaring kunnen beginnen en vervolgens kunnen overgaan in een hallucinatie. Bovendien zou de aanwezigheid van levenden in de BDE volgens Serdahely soms verklaard kunnen worden door bilocatie1. Dit laatste is volgens mij echter alleen van toepassing als de levende slaapt of in trance verkeert, terwijl Augustine het met name heeft over gevallen waarin dit niet aan de orde is.
Belangrijker is Serdahely's argument dat we veel meer variatie in de structuur van bijna-doodervaringen zouden verwachten als ze volledig zouden berusten op hallucinaties.
Serdahely vindt het tot slot vreemd dat de terugblik tijdens een BDE zo'n grote impact heeft wanneer het daarbij in werkelijkheid slechts om willekeurige herinneringen gaat.

Near-Death Experiences with Hallucinatory Features” Defended door Keith Augustine
Augustine reageert op alle tegenwerpingen. Zo stelt hij dat alternatieve verklaringen voor afwijkende, onjuiste waarnemingen misschien soms wel denkbaar zijn, maar zeker niet in alle gevallen. Bij bepaalde BDE's is de discrepantie echt te groot volgens de skepticus.
In veel gevallen blijkt Augustine de tegenargumenten gewoon niet serieus te nemen, zoals het argument dat we ook tijdens een uittreding nog lichamelijke, zintuiglijke indrukken kunnen krijgen en het argument dat hogere wezens een vertrouwde vorm aan kunnen nemen. Hij stelt dat de hallucinatie-hypothese in het algemeen veel eenvoudiger is en daarom de voorkeur verdient. Natuurlijk negeert hij daarbij wederom het bewijsmateriaal voor paranormale waarnemingen tijdens een vlak EEG. Met andere woorden, hij doet alsof zijn opponenten geen goede reden hebben om alternatieve hypothesen voor te stellen, omdat er niets zou pleiten voor de gedachte dat BDE's meer zijn dan hallucinaties. Misschien zijn de alternatieve verklaringen wel logisch houdbaar, maar ze zijn hoe dan ook volstrekt overbodig, aldus Augustine. Ook het argument van Serdahely over het transformerende effect van het panoramische levensoverzicht maakt geen enkele indruk op hem. Hij stelt dat mensen waarschijnlijk alleen maar zo sterk veranderen na hun BDE omdat ze hun ervaring opvatten als aanwijzing voor een leven na de dood. Als een BDE-er dat niet doet, zal hij of zij volgens Augustine waarschijnlijk geen bijzondere transformatie doormaken. Overigens wordt dit ontkracht door gevallen van BDE-ers die nog steeds niet geloven in een leven na de dood, maar wel een grote persoonlijkheidsverandering hebben doorgemaakt na hun bijna-doodervaring.

Letters to the Editor, blz. 67-85
In dit nummer komt ook nog correspondentie voor over een eerder stuk van Keith Augustine, namelijk “Does Paranormal Perception Occur in Near-Death Experiences”.
Een paar punten: Bruce Greyson wijst er onder meer op dat BDE's niet verfraaid worden in de loop der tijd en dat er ook los van BDE's aanwijzingen bestaan voor de ultieme onafhankelijkheid van het bewustzijn ten opzichte van het brein.]
Een reactie van Kenneth Ring komt helaas een beetje verward over. Ring stelt dat hij nooit heeft beweerd dat er een leven na de dood bestaat, maar even later geeft hij wel aan dat hij daar zelf door BDE's wel van overtuigd is! Jammer genoeg lijken nogal wat onderzoekers zozeer geïntimideerd te worden door skeptici als Keith Augustine dat ze de hypothese van een voortbestaan niet meer openlijk en ondubbelzinnig durven te poneren.
Ook Raymond Moody heeft een nogal warrige brief ingezonden, waarin hij onder andere benadrukt dat hij volledig agnostisch is gebleven over een leven na de dood en zelfs stelt dat een leven na de dood geen wetenschappelijk vraagstuk is.
Steven M. Cooper wijst er terecht op dat één witte raaf, d.w.z. één BDE met bewustzijn tijdens een vlak EEG, voldoende is om aan te tonen dat er nog bewustzijn kan zijn als de hersenactiviteit is uitgevallen.
Barbara Whitfield vraagt aandacht voor de persoonlijke, transformerende betekenis van BDE's, los van alle wetenschappelijke discussies. Een belangrijk onderwerp, zeker, maar een beetje off-topic vrees ik.

Ingezonden brieven in het lentenummer van 2008 van het Journal of Near-Death Studies, 26(3), blz. 219-243.
De discussie in het JNDS tussen Keith Augustine en zijn opponenten lijkt voorlopig te zijn afgesloten door middel van een aantal ingezonden brieven waar Augustine nog een laatste reactie op geeft.
De eerste brief is afkomstig van de bekende BDE-onderzoekster en auteur P.M.H. Atwater en richt zich tegen de veronderstelling dat een bijna-doodervaring in de loop der tijd steeds meer wordt opgesmukt door de persoon zelf. Ze wijst op een onderzoek van Bruce Greyson waaruit blijkt dat herinneringen aan BDE's stabieler lijken dan herinneringen aan traumatische ervaringen. Ook gaat ze in op haar eigen bevinding dat er vaak enige tijd overheen gaat voordat een BDE-er echt open durft te zijn over zijn of haar ervaring. Dat kan ten onrechte zo overkomen alsof er in de loop der tijd steeds meer details bij worden verzonnen om het verhaal te verfraaien. Als het hele verhaal van een BDE eenmaal verteld is, blijkt het later meestal in essentie niet meer te veranderen.
Wel wijst ze erop dat sommige BDE-ers verleid kunnen worden door de media om hun ervaring zo sensationeel mogelijk voor het voetlicht te brengen en daarbij afbreuk kunnen doen aan hun BDE. Ook noemt ze het merkwaardige fenomeen “downloading” waarbij een BDE-er, tijdens maar vooral ook na hun BDE, steeds meer informatie 'doorkrijgt', maar ook dit leidt er nog niet toe dat de bijna-doodervaring opeens wezenlijk anders weergegeven wordt.
Tot slot staat ze in deze context stil bij BDE's van kinderen. Veel kinderen blijken hun BDE volgens Atwater aanvankelijk (om sociale redenen) te willen verdringen en zij integreren hun ervaring daarom soms pas decennia na dato. Ook dit verschijnsel kan ten onrechte worden opgevat als een verfraaiing van de eigenlijke ervaring.
De tweede reactie op Augustine in dit nummer is een ingezonden stuk van Michael B. Sabom dat ik heb vertaald voor Terugkeer. Hierin gaat hij uitvoerig in op zijn systematische vergelijking tussen (a) de beschrijving die BDE-ers van hun reanimatie hadden gegeven op basis van hun buitenzintuiglijke waarneming tijdens de BDE en (b) de beschrijving van een reanimatie door een controlegroep van mensen met een vergelijkbare achtergrond maar dan zonder BDE. Het blijkt dat de beschrijving van de BDE-ers in hoge mate overeenkomt met de werkelijkheid en die van de controlegroep niet. (Zie mijn vertaling in het vorige nummer van Terugkeer.)
De derde reactie is van Neal Grossman. Hij stelt dat skeptici zoals Augustine vaak vier soorten denkfouten maken. Hij noemt skeptici overigens 'fundamaterialisten'.
Allereerst wijst hij er terecht op dat neurologisch bewijsmateriaal helemaal niet impliceert, zoals Augustine beweert, dat het bewustzijn volledig afhankelijk is van het brein. Het enige wat dit bewijsmateriaal kan aantonen is dat er sterk verband bestaat tussen hersenen en geest, dat echter net zo goed door een zogeheten transmissiehypothese kan worden verklaard. Dit wil zeggen dat het bewustzijn slechts beïnvloedt wordt door hersenprocessen in plaats van geheel en al te worden voortgebracht door die processen. Meer dan honderd jaar geleden werd dit al vastgesteld door de bekende Amerikaanse psycholoog en parapsychologisch onderzoeker William James.
Ten tweede lijken skeptici te denken dat wanneer ze aantonen dat sommige ervaringen op hallucinaties berusten dit voor alle ervaringen geldt.
Op de derde plaats maken skeptici geen onderscheid tussen sluitende bewijzen ('proof') in de logische of wiskundige zin en sterke aanwijzingen ('evidence') in de empirische zin. In de wetenschap houden we ons bezig met aanwijzingen en het is dus oneerlijk om te eisen dat die sluitend zijn alvorens we ze serieus mogen nemen.
Tot slot wijst Grossman op het onderscheid tussen logische mogelijkheden die onafhankelijk zijn van empirisch bewijsmateriaal en empirische mogelijkheden waarvoor ook echt aanwijzingen bestaan. Skeptici gooien deze twee soorten mogelijkheden door elkaar. Zolang de hypothese dat het bewustzijn volledig afhankelijk is van het brein logisch mogelijk is, mogen we daar volgens skeptici niet van afwijken. Ook al gaat het bewijsmateriaal er wel tegenin. Iets dergelijks geldt bijvoorbeeld ook voor het bewijsmateriaal voor reïncarnatie in de vorm van correcte uitspraken en moedervlekken die samenhangen met een vorig leven bij jonge kinderen, aldus Grossman. Je kunt daar wel tegen aanvoeren, zoals ene Steven Hales echt heeft gedaan, dat die herinneringen en moedervlekken in theorie veroorzaakt zijn door buitenaardse wezens, maar dat is een loze theorie zonder empirische onderbouwing.
Volgens Grossman zijn het opperen van zuiver logische mogelijkheden voorbehouden aan filosofische discussies. Bijvoorbeeld rond de vraag of de fysieke wereld een illusie is of werkelijk bestaat.
Grossman sluit zijn reactie af met de constatering dat de stelling dat een leven na de dood alleen 'buitengewoon' ('extraordinary') is als je een materialistisch wereldbeeld aanhangt. Hij constateert volgens mij terecht dat materialisten uiterst merkwaardige hypothesen hebben geformuleerd om al het bewijsmateriaal tegen hun wereldbeeld weg te verklaren.

De repliek van Augustine
Over het algemeen laat Keith Augustine het er verder bij zitten. Hij vindt dat hij wel genoeg werk heeft verricht met zijn vorige bijdragen. Dit is trouwens heel merkwaardig, omdat hij inhoudelijk niets inbrengt tegen de brief van Michael B. Sabom en deze slechts 'uitstekend' noemt (blz. 236). Terwijl diezelfde Sabom duidelijk aangeeft waarom de kritiek van Augustine op de stelling dat BDE-ers kunnen beschikken over paranormale kennis van de fysieke werkelijkheid kant noch wal raakt. Dit is wel een erg doorzichtige truc van Augustine: je erkent dat iemand goed gesproken heeft en negeert vervolgens elke implicatie van zijn woorden, in de hoop dat de lezer dat acceptabel vindt.
Augustine gaat alleen nog in op het stuk van Neal Grossman, maar ook daarbij gaat het niet om een bijster interessante reactie. De skepticus stelt kort gezegd dat Grossman zelf het soort fouten maakt als waar hij Augustine van beschuldigt. Augustine vindt dat het bewijsmateriaal voor een hersen-gebondenheid van het bewustzijn overweldigend is en dat aanwijzingen die hiertegen ingaan helemaal niets voorstellen. Een herhaling van zetten dus.
Zo is Augustine ervan overtuigd dat het bewijsmateriaal bij zogeheten split-brain experimenten eenduidig voor de hersen-gebondenheid van het bewustzijn pleit en neemt hij alternatieve hypothesen om genoemde data te verklaren niet eens serieus. (Ik heb Augustine zelf al geruime tijd geleden geconfronteerd met een dualistische verklaring van split-brain data2 en daar heeft hij nooit op gereageerd.)
In plaats daarvan noemt Augustine slechts een aantal onderzoekers die zich hebben laten inpakken door zijn retoriek en die van andere skeptici. Ook stelt hij dat de meeste neurologen geloven in de hypothese dat het bewustzijn gebonden is aan de hersenen, alsof dit meer zou zijn dan een weerspiegeling van de nog steeds erg materialistische tijdgeest.
Augustine eindigt zijn repliek met de nogal sarcastisch overkomende opmerking dat aanhangers van de voortbestaanshypothese hem wel dankbaar mogen zijn voor zijn inspanningen. Als die aanhangers al zijn punten van kritiek kunnen weerleggen zou dat de 'survival'-hypothese alleen maar sterker maken. De ironie wil dus dat Sabom één van zijn voornaamste argumenten reeds grondig heeft ontkracht en Augustine daar gewoon niet op ingaat. Laten we hopen dat de meeste lezers dit niet over het hoofd zien.

Eindnoten

1 Het aanwezig zijn op twee plaatsen tegelijk, meestal in fysieke zin.

2 Titus Rivas (2004) Neuropsychology and personalist dualism: a few remarks.


Dit artikel werd gepubliceerd in Terugkeer, 19(4), winter 2008, blz. 32-34.

Het is opgenomen in de bundel Van en naar het Licht, van Titus Rivas en Anny Dirven.


Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
dualisme, helderziendheid, uittredingen, veridiek, skepsis, visioen, hallucinatie, bijna-doodervaringen
printversie
auteur mailen
sluiten