Titel
Tweelingen en reïncarnatie
Geplaatst door
T. Rivas
Samenvatting
Eeneiïge tweelingen worden vaak opgevoerd als het ultieme bewijs dat ons gedrag en onze persoonlijkheid uiteindelijk vooral bepaald worden door ons genetisch materiaal. Er blijken echter tweelinggevallen te bestaan die juist wijzen op geestelijke factoren
Tekst

Tweelingen en reïncarnatie

door drs. Titus Rivas

Inleiding
Het reductionistische materialisme lijkt zekerder dan ooit van zijn overwinning. Alternatieve gezichtspunten waarbij uitgegaan wordt van het bestaan van een geest die de beperkingen van het brein overstijgt, worden bijna geheel genegeerd door hardcore (reductionistische) materialisten. Dit is volgens mij extra absurd omdat genoemde vorm van materialisme niet alleen puur analytisch niet deugt (er is namelijk niet zoiets als materiële ‘waarheid’, en dus kan het materialisme niet waar zijn), maar er bovendien meer dan ooit empirische aanwijzingen zijn die strijdig zijn met het materialisme.
In feite is er m.i. dan ook sprake van een bijna meelijwekkende doodsstrijd van het (reductionistisch) materialisme, onder aanvoering van de zogeheten ‘skeptici’. De zo langzamerhand verbijsterend hardnekkige aanhangers van deze stroming gaan er vanuit dat er twee soorten keiharde en onweerlegbare bewijzen bestaan die het materialisme voorgoed zouden grondvesten als enige zaligmakende leer:
(1) Neuropsychologische gegevens die zouden aantonen dat de geest helemaal afhankelijk is van de hersenen. Dit zou zowel gelden voor de ‘normale’ psychologische ontwikkeling van de geest als voor de afwijkingen daarvan. Dat tegenstanders van het materialisme, de hedendaagse dualisten (waaronder schrijver dezes) voorop, er in geslaagd zijn de neuropsychologische gegevens in te passen in een niet-materialistische theorie, wordt daarbij volledig genegeerd.
(2) De gedragsgenetica zou aantonen dat een groot deel van ons gedrag niet aangeleerd is maar aangeboren. Daarbij hebben we het dan niet over algemene kenmerken van de mens en andere diersoorten, zoals het gebruik van taal, of het gebruik van werktuigen. Maar juist over heel specifieke eigenschappen, zoals karaktertrekken, neigingen en intelligentie. De materialistische gedragsgenetici gaan er vanuit dat onze persoonlijkheid voor een groot deel voortkomt uit onze genen. Het andere deel zou niet opeens wél geestelijk zijn, maar gewoon neerkomen op (in ultieme zin volgens materialisten natuurlijk altijd fysieke) invloeden door de omgeving. Die invloed zou op basis van de aangeboren aanleg zorgen voor de vorming van de specifieke persoonlijkheid die we ieder afzonderlijk vertonen. De formatie van de hersenen zou op zichzelf dus altijd bepaald worden door genen, stukjes fysieke ‘codes’ voor het aanmaken van eiwitten, die we overgeërfd hebben van voorgaande generaties. Het gaat er hier niet om dat deze visie mechanistisch of deterministisch is, maar dat ze materialistisch is. Dat wil zeggen dat als de visie klopt, wij mensen en andere diersoorten ook in psychologische zin primair biologische wezens zouden zijn die in ons gedrag bepaald worden door fysiologische processen in ons brein. En er dus weinig tot niets meer te zeggen zou zijn voor een geestelijke component die niet reduceerbaar zou zijn tot de hersenen. De invloeden die er naast de genen voor zorgen wie en wat we zijn, zijn volgens het materialisme nooit geestelijk.
Het paradepaardje van de materialistische genetici wordt gevormd door de eeneiige tweelingen. Dit zijn biologisch gezien mensen die ontstaan zijn uit dezelfde bevruchte eicel en daardoor al hun genen met elkaar delen. Volgens de materialistische theorie zou je verwachten dat deze mensen ook psychologisch gezien extra veel kenmerken en neigingen met elkaar delen. Volgens gedragsgenetici is dit inderdaad het geval: eeneiige tweelingen die vanaf de geboorte van elkaar gescheiden zijn, zouden inderdaad veel meer psychologische eigenschappen met elkaar delen dan andere broers of zussen, waaronder twee-eiige tweelingen. Men beweert wat dat betreft echt spectaculaire overeenkomsten te hebben gevonden, variërend van IQ tot criminele neigingen, tot specifieke seksuele voorkeur voor een bepaald fysiek type partner, tot een neiging tot bepaalde hobby's, etc.
Vanzelfsprekend wordt hierbij geen rekening gehouden met de parapsychologische gegevens rond telepathie tussen tweelingen. Die telepathie zou veel van de overeenkomsten tussen gescheiden tweelingen kunnen verklaren. Er zou sprake kunnen zijn van onderlinge onbewuste identificatie met elkaar via telepathie. Het is niet verwonderlijk dat telepathie geen rol speelt in de materialistische theorievorming, maar het is allesbehalve redelijk dat dit niet gebeurt.

Het materialisme is op los zand gebouwd. Het deugt puur logisch al niet, en de zogenaamde bewijzen voor het materialisme lijken volgens mij werkelijk nergens op. Ook het paradepaardje kan maar beter snel met pensioen gestuurd worden. De bekende reïncarnatieonderzoeker dr. Ian Stevenson verzamelde enkele gevallen van tweelingen die zich vorige levens konden herinneren die volkomen in strijd zijn met de materialistische interpretatie van de gedragsgenetica.

Tweelinggevallen
Alvorens de lezer te vergasten op authentieke casussen, wil ik nog wijzen op het bestaan van vreemde gevallen waarin mensen te maken denken te hebben met een soort 'tweelingzielen' die hen als geest begeleiden. In één geval was de ziel in kwestie volgens de respondent de tweelingbroer geweest in diens vorig leven. De man leverde mij verifieerbare informatie aan die allemaal onjuist bleek. Bovendien was er veel te zeggen voor een zuiver psychologische interpretatie van dit geval. Zoals meestal aan de orde is binnen de parapsychologie, komen er ook rond tweelingen en reïncarnatie zeer waarschijnlijk fantasiegevallen voor.
Ian Stevenson heeft meermalen casussen van kinderen die zich vorige levens herinnerden gepubliceerd die voorkwamen onder tweelingen. Zo behandelt hij gevallen in het deel Ten Cases in India van de serie Cases of the Reincarnation Type, in zijn Children who remember previous lives: A question of reincarnation en vooral ook in Reincarnation and Biology.

Het geval van Ramoo en Rajoo Sharma (Stevenson, 1975)
Ramoo en Rajoo Sharma zijn een Indiase eeneiige tweeling die zich een vorig leven herinnerde als een andere tweeling uit een ander dorp. Ze werden geboren in het dorp Sham Nagara, Uttar Pradesh, in 1964 als de zoons van een Ayurvedische arts. Toen ze ongeveer drie jaar oud waren, renden ze in de richting van een snelweg om ‘naar huis’ te gaan. Later beweerden zij een vreemdeling die op doortocht was in hun dorp te herkennen. Beiden begonnen vanaf dat moment te praten over hun vorige leven en zeiden dat ze respectievelijk Bhimsen en Bhism Pitamah hadden geheten en afkomstig waren uit een ander dorp, Uncha Larpur. Ze vertelden dat ze verwikkeld raakten in een ruzie met ene Jagannath die hen naar zijn huis had gelokt en daar door een groot aantal mannen had laten wurgen, nadat deze hen hadden verwond met een soort lange, tamelijk zware stokken “lathi’s” genaamd. Ze gaven ook nog details over andere gebeurtenissen en bezittingen uit hun vorige leven.
Wat later werden ze geconfronteerd met andere mensen uit hun vorige leven en ze herkenden de meeste van hen. Hun ouders deden echter geen moeite om hun uitspraken te verifiëren, onder meer omdat het om een vorig leven ging dat geëindigd was in een moord. Stevenson stelde vast dat de families elkaar hoogstwaarschijnlijk niet hadden gekend voordat het geval zich ontwikkelde, maar dat de moeder van Ramoo en Rajoo slechts gehoord had van de moord op Bhimsen en Bhism. Van sommige correcte uitspraken over het vorige leven is het daarmee aannemelijk dat ze niet langs normale weg verklaard kunnen worden, zoals namen van een broer, leraar en zoons, de herkomst van hun vrouwen, en verschillende bezittingen. De tweeling vertoonde overigens niet alleen concrete herinneringen aan hun vorige leven, maar bovendien moedervlekken die mogelijk overeenkomen met de specifieke verwondingen die ze aan het eind van dat leven hadden opgelopen. Bij beide gingen het om strepen die extra gepigmenteerd waren van slechts 2 millimeter breed. Ramoo vertoonde vijf van zulke moedervlekken, de laagste boven zijn navel, de bovenste op zijn borst. Rajoo had er slechts twee, de onderste net boven zijn navel en de bovenste ongeveer 6 centimeter erboven. De moedervlekken op de buik die bij beiden voorkwamen liepen recht over de onderbuik, maar de drie op Ramoo’s borst liepen slechts over een deel ervan. Volgens de moeder en een oom van de jongens waren deze moedervlekken al bij hun geboorte aanwezig en het leek er toen op dat iemand hen snijwonden had toegebracht. Stevenson brengt de moedervlekken in verband met verwondingen door lathi’s of door touwen waarmee de tweeling was vastgebonden door hun moordenaars. De tweeling vertoonde naast herinneringen en moedervlekken tot slot ook gedragskenmerken die overeenkwamen met die van Bhimsen en Bhism, zoals temperament, en een bijzonder grote gehechtheid aan elkaar.

Het geval van Gillian en Jennifer Pollock (Stevenson, 1987)
Ian Stevenson nam in zijn beschrijving van ‘twaalf typische gevallen’ in het boek Children who remember previous lives merkwaardig genoeg een uniek geval op, dat van de zogeheten Pollock Twins. Gillian en Jennifer Pollock zijn een eeneiige tweeling die geboren werd in Hexham, Northumberland, in Engeland op 4 oktober 1958. Toen ze tussen de twee en vier jaar oud waren, deden zij een aantal uitspraken die erop wezen dat ze zich de levens konden herinneren van hun twee oudere zussen, Joanna en Jacqueline die op 5 mei 1957 waren gedood doordat een auto op hen inreed. Joanna en Jacqueline waren geen tweelingzussen geweest, maar ze waren respectievelijk 11 en 6 jaar oud geweest toen ze overleden. Hun ouders waren ziek van verdriet. Mr. Pollock geloofde echter sterk in reïncarnatie en ging er vanuit dat Joanna en Jacqueline wedergeboren zouden worden in het gezin en wel als tweeling. Hoewel deze veronderstelling inging tegen medische indicaties, bleek zijn vrouw inderdaad te bevallen van een tweeling! Bij de geboorte bleek Jennifer twee moedervlekken te hebben die qua locatie en grootte overeenkwamen met twee plekjes op het lichaam van Jacqueline. Een moedervlek op Jennifer’s voorhoofd kwam overeen met een litteken op het voorhoofd van Jacqueline dat ontstaan was nadat ze gevallen was en zichzelf op die plek had bezeerd. De andere moedervlek kwam overeen met een moedervlek bij Jennifer. Naast uitspraken over het vorige leven, herkenden zij ook voorwerpen, zoals speelgoed, die van de verongelukte zussen waren geweest. Ook wisten ze volgens hun ouders op een paranormale manier waar zich een school en schommels in een park bevonden. Qua gedrag leken ze volgens Stevenson eveneens op de verongelukte zusjes. Opmerkelijk was in dit verband een incident toen de tweeling ongeveer vier en een half jaar oud was en voor het eerst leerde schrijven. Gillian pakte daarbij het potlood dat ze gebruikte meteen goed beet, terwijl Jennifer het potlood met haar vuist vastgreep, iets wat overeenkwam met het feit dat Joanna al goed had kunnen schrijven en Jacqueline nog niet.
De onderzoeker geeft overigens toe dat dit geval minder sterk is dan andere casussen vanwege de verwachting van de vader dat zijn eigen dochters wedergeboren zouden worden als tweeling. Aan de andere kant is het natuurlijk wel opmerkelijk dat de verwachting van de vader dat zijn vrouw een tweeling zou krijgen niet overeenkwam met de verwachting van artsen en wel correct bleek.

Het onderzoek van Ian Stevenson
Stevenson vermeldt in zijn Children who remember previous lives nog dat hij op dat moment (1987) 36 tweelinggevallen heeft verzameld. In deze gevallen kon één of beide van de tweelingen zich een vorig leven herinneren. In ongeveer tweederde van deze casussen kon een tweeling zich meer van het vorige leven herinneren dan de andere. In bepaalde gevallen kon één van de tweelingen zich helemaal niets herinneren. Daarbij zei degene die wel herinneringen had soms dat de ander wel bij hem of haar was geweest in het vorige leven, ook al kon hij of zij zich dat niet meer herinneren. In 26 gevallen kon men vaststellen wie beide tweelingen geweest zouden moeten zijn in hun vorige leven. In 19 van deze casussen hadden ze een familieband gehad (waaronder in sommige gevallen een huwelijksband) en in de 7 overige gevallen waren ze vrienden of bekenden geweest. In geen enkel van de geverifieerde casussen waren zij volkomen vreemden voor elkaar geweest.
Zo waren Ma Khin Ma Gyi en Ma Khin Ma Nge uit Birma getrouwd geweest in hun vorige leven, ook al waren ze nu allebei meisjes. Ma Khin Ma Gyi vertoonde als kind de neiging om zich als een jongen te kleden en vertoonde karaktertrekken die overeenkwamen met die van de man van het echtpaar.
De meisjes Sivanthie en Sheromie Hettiaratchi herinnerden zich een leven als twee jongemannen die close bevriende homo’s waren. Wat betreft 'dominantie'-verhoudingen (d.w.z. wie het meest de ander overheerst binnen een relatie) tussen de tweelingen stelde Stevenson vast dat die overeenkwamen met de verhoudingen uit het vorige leven.
In geen van zijn boeken besteedt Ian Stevenson zoveel aandacht aan het vraagstuk van reïncarnatiegevallen onder tweelingen als in zijn Reincarnation and Biology uit 1997. Het hele hoofdstuk 25, overeenkomend met deel VII van dit lijvige boek gaat hierover en het beslaat meer dan 130 pagina’s. Ook in de 'samenvatting' Where reincarnation and Biology Intersect (door dr. Ruud van Wees vertaald voor Ankh-Hermes als Bewijzen van Reïncarnatie) komt het thema voor. Inmiddels blijken Stevenson en zijn collega’s zelf in totaal 40 tweelinggevallen te hebben bestudeerd. Zijn conclusies uit Children who remember previous lives worden herhaald en aangevuld met de constatering dat eeneiige tweelingen verschillen in uiterlijk en gedrag kunnen vertonen die niet genetisch verklaard kunnen worden, maar wel verklaard kunnen worden vanuit hun vorige levens.
Stevenson biedt vervolgens een grondige analyse van zijn eigen 40 gevallen plus nog twee andere casussen. Zo komen we onder meer te weten dat in het reeds genoemde geval van Sivanthie en Sheromie Hettiaratchi deze meisjes voornamelijk met elkaar over het vorige leven spraken, iets wat overeenkomt met de gebruikelijke intimiteit tussen tweelingen.

Het geval van Indika en Kakshappa Ishwara (Stevenson, 1997)
Indika en Kakshappa Ishwara werden geboren als eeneiige tweeling op 24 oktober 1972 in Weligama, Sri Lanka. Toen ze ongeveer drie jaar oud waren spraken ze voor het eerst over een vorig leven. Kakshappa vertelde dat hij was doodgeschoten door de politie en wekte de indruk een rebel te zijn geweest. Helaas slaagde Stevenson er niet in te achterhalen wie hij geweest kon zijn. Indika’s uitspraken waren echter specifieker. Hij noemde namen en plaatsnamen. Hij zei dat hij in Balapitiya woonde en naar school ging in de stad Ambalangoda. Hij beschreef zijn leven als dat van een schooljongen. Aldus slaagde men er een schooljongen te traceren, genaamd Dharshana die was gestorven op 24 januari 1968 en wiens leven bijna geheel overeenkwam met Indika’s uitspraken. Het geval werd overigens niet alleen door Stevenson onderzocht maar ook door zijn inheemse collega Godwin Samararatne die veel van de uitspraken vastlegde voordat deze voor het eerst naar Balapitiya zou gaan en daar mensen en plaatsen zou herkennen. Aldus kon Samararatne bijna al deze uitspraken zelfstandig verifiëren. In een later stadium was ook de IJslandse parapsycholoog Erlendur Haraldsson bij het geval betrokken. Ian Stevenson stelde vast dat er geen banden bestonden tussen de families voordat het geval van Indika zich ontwikkelde, zodat het zeer aannemelijk is dat er geen normale verklaring is voor zijn herinneringen. Volgens hem is het zelfs één van de sterkste casussen van herinneringen aan vorige levens die er tot nu toe wetenschappelijk zijn bestudeerd.
Er bestonden aanzienlijke gedragsverschillen tussen de tweelingen. Zo was Indika godsdienstig, wat overeenkwam met de instelling van Dharshana, en Kakshappa was niet geïnteresseerd in godsdienst. Indika was vriendelijk en rustig, terwijl Kakshappa hard was en geneigd tot vijandigheid en gewelddadigheid. Indika was duidelijk intelligenter en meer geïnteresseerd in school. Tot slot bestond er nog een fysiek verschil in een afwijking aan een neusgat van Indika, in de vorm van een poliep. Dit leek samen te hangen met een periode dat Dharshana in het ziekenhuis lag en daarbij kunstmatig beademd en gevoed werd door een slangetje in zijn neus. In de beschouwing bij dit hele hoofdstuk stelt Ian Stevenson dat er vaak genoeg opmerkelijke verschillen worden vastgesteld tussen eeneiige tweelingen die niet verklaarbaar zijn door factoren in het huidige leven. Het is daarmee aannemelijk dat die ook in gevallen waarin de tweelingen zich geen vorig leven herinneren te maken kunnen hebben met een voorafgaande incarnatie. Hij zegt daarbij: “Ik stel niet dat reïncarnatie een verklaring zou vormen van alle verschillen en overeenkomsten tussen tweelingen; maar ik denk wel dat het een goede bijdrage kan leveren aan beide verschijnselen.” (blz. 2062).
Voorts merkt hij op dat het opvallend is dat er in veruit de meeste tweelinggevallen van reïncarnatie sprake was van een band in het vorige leven. Dit doet veronderstellen dat de betrokkenen voor het huidige leven een wens hadden om met elkaar herenigd te worden in een volgend leven en dat deze wens een rol speelde in het proces van de celdeling.

Over levens heen
We mogen tweelinggevallen binnen het reïncarnatieonderzoek eigenlijk wel opvatten als een knipoog 'van boven'. Zelfs op het gebied waarvan materialisten denken dat ze het sterkst staan, bestaan er bewijzen, dat er niets deugt van de materialistische opvattingen. We moeten het gangbare reductionistische materialisme misschien ironisch genoeg juist bij uitstek door dit type tweelinggevallen echt geen enkele kans meer geven.
Maar ook los daarvan hebben tweelinggevallen heel interessante implicaties. Zoals ik in mijn boek over reïncarnatieonderzoek uit 2000 mijns inziens voldoende heb betoogd, is het één en dezelfde persoonlijke ziel die een vorig leven leidde en die nu leeft. Indika was vroeger Dharshana en Dharshana heeft de dood als persoonlijke ziel overleefd, hij heeft zijn lichaam en naam achterlaten en is vervolgens gereïncarneerd in een nieuw lichaam en onder de nieuwe naam Indika. We kunnen dit zien als een onderdeel van een grotere ontwikkelingsgang over meer dan een fysiek leven heen, die Dr. Stevenson terecht als personal evolution betitelt.
Tweelinggevallen laten zien dat de persoonlijke evolutie ook gedeeld kan worden gedurende meer dan één leven. In de meeste casussen gaat het namelijk om personen die elkaar uit het vorige leven kennen. Dit heeft opwindende implicaties voor andere tweelingen die zich geen vorig leven herinneren: ook zij kunnen een bijzondere persoonlijke band hebben die al in een vorig leven is ontstaan.
Daarnaast heeft het ook consequenties voor de manier waarop we aankijken tegen reïncarnatiegevallen die binnen één en dezelfde familie optreden. Vanuit een skeptisch perspectief zijn die volledig waardeloos, omdat alle uitspraken meestal al bekend waren binnen de familiekring en er dus weinig tot geen paranormale uitspraken zouden zijn. Stevenson merkt terecht op dat 'same-family' gevallen qua structuur niet essentieel verschillen van paranormale gevallen die zich buiten dezelfde familie en vriendenkring voordoen. Ook ikzelf wijs in mijn boek Parapsychologisch onderzoek naar reïncarnatie en leven na de dood op persoonlijke geestelijke banden die sterker zijn dan de dood. De Amerikaanse schrijfster Carol Bowman is onlangs met een boek op de markt gekomen dat dit thema verder uitdiept, Return from Heaven (In het Nederlands vertaald als Kinderen uit de Hemel, door uitgeverij A.W. Bruna).
Juist tweelinggevallen laten zien dat persoonlijke banden van liefde en hechting over levens heen veel meer zijn dan een bakerpraatje uit de New Age-koker.

Dit artikel werd gepubliceerd in Prana, nr. 125, Juni/Juli 2001, blz. 58-63, en opgenomen in de bundel Uit het leven gegrepen (Delft: Koopman & Kraaijenbrink, 2003). In deze online versie zijn in 2017 een paar woorden aangepast, zonder dat dit van belang is voor de strekking van het artikel.

Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
reïncarnatie, materialisme, tweelingen, gedragsgenetica, erfelijkheid, aanleg, nature vs. nurture, lichaam en geest
printversie
auteur mailen
sluiten