Titel
De bijnadoodervaring als bijzondere uiting van een slaap-waakstoornis
Geplaatst door
T. Rivas
Samenvatting
De neuroloog Kevin Nelson publiceerde onlangs zijn geruchtmakende hypothese over de invloed van een verstoord slaap-waak reguleringssysteem op het optreden van bijnadoodervaringen. Titus Rivas levert geeft aan welke aspecten deze niet kan verklaren.
Tekst

De BDE als bijzondere uiting van een slaap-waakstoornis: het neurologische project van Kevin Nelson

door Titus Rivas

Er zijn reeds allerlei pogingen gedaan om het verschijnsel van de bijnadoodervaring in te passen in het gangbare materialistische wereldbeeld waarbij de geest volledig gebonden is aan de hersenen. Volgens deze visie is alles wat we geestelijk beleven uitsluitend het product van neurologische processen in ons brein.
Bekende auteurs die dit project op zich hebben genomen zijn onder andere de (pseudo-)skeptische Susan Blackmore en Gerald Woerlee. Inmiddels zijn hun gelederen versterkt door de neuroloog dr. Kevin Nelson van de Universiteit van Kentucky. In een geruchtmakend artikel in het blad Neurology van april 2006 doet hij verslag van een speurtocht naar de ‘fysiologische basis’ van de BDE. Zo’n poging is natuurlijk alleen zinvol als je denkt dat er zo’n basis moet zijn en dit is dan weer alleen echt aannemelijk binnen een materialistisch wereldbeeld. De hypothese die Nelson toetst is of BDE’s veroorzaakt worden doordat elementen van het soort bewustzijn dat normaliter bij de REM-fase hoort, binnendringen in het waakbewustzijn en de grenzen tussen waken en slapen of dromen daarbij vervagen. (REM= Rapid-Eye Movement, d.w.z. de snelle bewegingen van de ogen die horen bij een toestand van de hersenen die verband lijkt te houden met een fase waarin we dromen.)
Dit verschijnsel is bekend van de overgangsfase van slapen naar waken en andersom - de zogeheten hypnopompe en hypnagoge fasen - maar er zijn ook mensen bij wie dit proces vaker optreedt dan gemiddeld. In feite zou er bij hen sprake zijn van een afwijking in de neuropsychologische 'regulering' van bewustzijnstoestanden.
Zijn zogeheten REM state intrusion-hypothese impliceert nu dat mensen met zo’n meer dan gemiddelde mix van REM- en waakbewustzijn eerder een BDE zullen melden dan anderen. De BDE’er zou, zoals ik de hypothese begrijp, namelijk niet door hebben dat hij of zij in feite een ongewoon soort REM-bewustzijn beleeft en zijn zuiver subjectieve ervaringen verwarren met het beleven van een intersubjectieve transcendente realiteit. Dit zou komen doordat het systeem in de hersenen dat verantwoordelijk is voor onze bewustzijnstoestanden een belangrijke rol speelt bij reacties van het lichaam onder extreme stress. Wanneer er groot gevaar dreigt zouden mensen die normaliter meer dan gemiddeld REM state intrusion vertonen, daarom ook eerder een BDE kunnen krijgen. Overigens erkent Nelson dat BDE’s geen dromen in de gangbare zin van het woord zijn, omdat ze veel werkelijker aandoen dan dromen en omdat ze de bizarre kenmerken van ons droomleven missen.
Om deze hypothese te toetsen vergeleek Nelson 55 BDE’ers met een controlegroep van mensen met dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht. Zestig procent van de BDE-ers vertoonde symptomen van REM state intrusion, terwijl dit slechts voor 24 % van de controlegroep gold. Hieruit blijkt volgens de neuroloog dat de BDE’ers significant meer verschijnselen melden die wijzen op REM state intrusion dan de leden van de controlegroep, zoals visuele en auditieve hallucinaties en het gevoel niet te kunnen bewegen of verlamd te zijn, die gekoppeld zijn aan de slaap.
Nelson probeert in zijn artikel ook een verklaring te vinden voor de buitenlichamelijke ervaring van veel BDE’ers. Volgens hem gaat het daarbij om een vorm van autoscopie, het merkwaardige fenomeen waarbij je de illusie hebt je eigen lichaam van buitenaf waar te nemen, zonder dat er ook daadwerkelijk sprake is van een uittreding of zelfs maar een helderziende waarneming. Hij besteedt geen aandacht aan paranormale ervaringen tijdens BDE’s en vermeldt ook nergens dat deze kunnen optreden tijdens een vlak EEG (Van Lommel et al., 2001; Rivas, 2003) en zelfs terwijl de hersenactiviteit helemaal stil ligt (Smit, 2003; Rivas, 2004b, 2006). De kern van de argumentatie van voorstanders van een transcendente interpretatie van BDE’s wordt dus domweg genegeerd, een strategie die we al kenden van onder meer Blackmore (1993) en Woerlee (2005, zie ook: Rivas, 2004a).

Mediahype
Er is in de media ruim aandacht besteed aan het werk van Kevin Nelson. Veel mensen die afkerig zijn van een spiritueel wereldbeeld zien het als een doorbraak in de materialistische benadering van bijnadoodervaringen. Er was bij sommigen echt sprake van een soort jubelstemming, omdat ze serieus meenden dat al die ‘flauwekul’ eindelijk het zwijgen zou worden opgelegd. Merkwaardig genoeg wordt dit in zekere zin tegengesproken door Nelson zelf. Hij stelt dat zijn resultaten geen bedreiging hoeven te vormen voor de theorie dat er leven na de dood is. Zijn onderzoek zou ‘spiritueel neutraal’ zijn, want hij onderzocht naar eigen zeggen slechts de neurologische mechanismen van de BDE die verklaren hoe zij tot stand komt, zonder daarmee eventuele diepere oorzaken uit te sluiten.
Toch is dit niet overtuigend, want in zijn artikel in Neurology geeft Nelson zelf expliciet toe dat hij aanneemt dat zelfs de meest complexe psychologische processen uiteindelijk veroorzaakt worden door de hersenen. Er is volgens mij binnen zo’n wereldbeeld hoogstens ruimte voor spirituele factoren van buitenaf, dat wil zeggen dat de menselijk geest volledig gebonden is aan het brein, en hoogstens via dat brein (en dus zeker niet los van de hersenen) in contact kan komen met een bovennatuurlijke werkelijkheid. Zo’n visie is misschien verenigbaar met bepaalde vormen van christelijk fundamentalisme, maar ze staat haaks op de doorsnee transcendente verklaring die zich concentreert op de continuïteit van het persoonlijke bewustzijn als de hersenen niet langer voldoende actief zijn om dat bewustzijn te ondersteunen. De bijnadoodervaring mag in de visie van Nelson nog verenigbaar zijn met een spiritueel wereldbeeld, in ieder geval biedt zij volgens hem zelf geen reden om zo’n wereldbeeld aan te gaan hangen. Ook mag je de visie van Nelson niet verwarren met die van bijvoorbeeld Melvin Morse (2001) die gelooft dat er een deel in de hersenen is (de ‘God Spot’) dat je in staat stelt contact te maken met een spirituele realiteit. De REM state intrusion-hypothese hoort namelijk wel degelijk thuis in de hoek van de biologische verklaringen van spirituele ervaringen. Kevin Nelson zegt dat zijn benadering uitsluitend betrekking heeft op het "hoe" van de BDE en niet op de vraag "waarom", maar dat is een merkwaardige uitspraak omdat er binnen een materialistisch wereldbeeld geen essentieel onderscheid bestaat tussen die twee vragen. Alle oorzaken zijn binnen dat perspectief immers altijd fysiek en kunnen dus niet alsnog transcendent zijn, tenzij je nogmaals aanneemt dat we als ‘volledig neurologisch bepaalde wezens’ geschapen zijn door een godheid. Het lijkt er dan ook enigszins op dat Kevin Nelson vooral geïnteresseerd is in het temperen van de golven van verontwaardiging die hij met zijn project heeft opgeroepen.
Volgens de bekende BDE-onderzoekster PMH Atwater is de mediahype overigens oorspronkelijk het gevolg van een artikel van ABC News getiteld ‘Neuroscientist Finds Possible Explanation of Near-Death Experiences - Mysterious Phenomenon May Be Related to Sleep Disorder’. ABC zou het onderzoek van Nelson op een onnodig sensationele manier gebracht hebben.

De waarde van het onderzoek
Naast haar kritiek op de overspannen aandacht voor Nelsons onderzoek stelt PMH Atwater, net als een vertegenwoordiger van IANDS, ook nog dat het onderzoek puur methodisch gezien niet deugt. De vragen die Nelson gesteld zou hebben aan de deelnemers zouden veel te dubbelzinnig zijn geweest. En de controlegroep zou bestaan hebben uit collega’s en vrienden van Nelson, en dus helemaal niet representatief zijn geweest voor doorsnee mensen die geen BDE hebben gehad. Ook Stichting Merkawah heeft in de persoon van Rudolf H. Smit kritisch gereageerd op het onderzoek. Smit stelt dat ‘bijna-doodervaringen zich beslist niet voordoen onder alleen maar situaties van "hevige angst" zoals het artikeltje suggereert. Integendeel, BDE's worden namelijk ook gerapporteerd door mensen die waren gereanimeerd na een acute hartstilstand. Iemand die zo een hartstilstand (dus zonder de aankondigende pijn van een infarct) ondergaat, krijgt niet eens de kans een hevige angst te ontwikkelen, want is binnen enkele seconden helemaal "weg" volgens gangbare neurologische opvattingen.’
Smit vindt ook nog dat stellige skeptische verklaringen als die van Nelson onnodig grievend zijn voor BDE’ers; ‘Voor hen staat het vast wat zij ervaren hebben en dat die ervaring beslist geen illusie was maar "werkelijker dan de werkelijkheid", zoals één van onze BDE'ers het treffend schreef. Voor velen onder hen is het zelfs beschadigend als "deskundigen" blijven volhouden dat het gaat om "slechts een hallucinatie" of droom.’
Bovendien stemt Rudolf Smit in met een constatering van IANDS dat veranderingen in slaappatronen en droomtoestanden die doen denken aan REM state intrusion zich bij het merendeel van de BDE’ers na hun BDE voordoen. ‘Daarom is er weinig grond voor de veronderstelling dat slaapstoornissen er de mogelijke oorzaak van zijn.’
Jim van der Heijden wijst er terecht op dat uit de vragenlijst die de neuroloog heeft gebruikt niet blijkt of de symptomen die volgens Nelson op REM state intrusion wijzen vóór of na de BDE ontstaan zijn. Los daarvan mogen we volgens mij niet vergeten dat dit slechts één onderzoek betreft. Dus zelfs als het methodisch wel volledig zou deugen, dan nog zou replicatie ervan wel eens heel anders uit kunnen pakken.

Herinnering aan een BDE
Maar stel nu eens dat de ideeën van Nelson toch ergens op slaan en dat mensen die van tevoren al REM state intrusion vertoonden inderdaad eerder een BDE melden. Een mogelijke verklaring zou m.i. dan misschien kunnen zijn dat mensen die te maken hebben met REM state intrusion in een waaktoestand meer gewend zijn aan ervaringen die horen bij een veranderde bewustzijnstoestand. Misschien zou dat van invloed kunnen zijn op het gemak waarmee ze zich hun BDE kunnen herinneren. Dat zou dus niet betekenen dat REM state intrusion zelf een verklaring vormt voor BDE’s maar slechts dat ze (via een al langer bestaande individuele psychologische aanpassing aan het neuropsychologische verschijnsel) bijdragen tot de bewuste herinnering ervan. Het verband zou daarom alleen betrekking hebben op die herinnering, een idee dat overigens ook geopperd wordt door de bekende BDE-auteur Kevin Williams. Zo’n mogelijk effect is verenigbaar met een interactionistisch model van hersenen en geest, en daarom ook met BDE’s die niets met REM state intrusion te maken hebben. De REM state intrusion-hypothese kan zelf in ieder geval geen goede algemene verklaring bieden voor het fenomeen dat bepaalde mensen zich na een hartstilstand een BDE kunnen herinneren en andere niet. Mijn assistente Anny Dirven kan zich bijvoorbeeld bijna nooit dromen herinneren en heeft naar eigen zeggen zelfs nog nooit bewust de overgangsfasen tussen slapen en waken beleefd. Ze valt altijd direct in slaap en is ook weer binnen enkele seconden na het ontwaken klaarwakker, iets wat ik zelf al meer dan eens bij haar heb waargenomen toen ze bij me logeerde. Het mogelijke effect vormt dus hoogstens één factor in de verklaring van de bewuste herinnering aan BDE’s.
Ook andere bekende experts op het gebied van de bijnadoodervaring zoals Bruce Greyson en Jeffrey Long betwisten de waarde van het onderzoek van Kevin Nelson. Greyson wijst vooral op de transformatie van de persoonlijkheid na een BDE, waarvoor de REM state intrusion-hypothese geen verklaring kan bieden.
Er is inmiddels een openbare briefwisseling aangekondigd tussen Nelson en Long.

Literatuur
  • Blackmore, S. J. (1993). Dying to Live: Near-death Experiences. Buffalo, N.Y. : Prometheus Books.
  • Lommel, P. van, Wees, R. van, Meyers, V., & Elfferich, I. (2001). Near-death experience in survivors of cardiac arrest: a prospective study in the Netherlands. The Lancet, 358, 9298, 2039-2044. Website of Dutch Society Merkawah.
  • Morse, M. (2001). Waar God woont. Rijswijk: Elmar.
  • Nelson, K.R., Mattingly, M., Lee, S.A, & Schmitt, F.A. (2006). Does the arousal system contribute to near death experience? Neurology, 66,1003-1009
  • Rivas, T. (2003). The Survivalist Interpretation of Recent Studies Into the Near-Death Experience. The Journal of Religion and Psychical Research, 26, 1, 27-31.
  • Rivas, T. (2004a). Een hedendaagse extinctie-these: Mortal Minds van Gerald Woerlee. Terugkeer, 15 (1), 23-25.
  • Rivas, T. (2004b). Het geval Al Sullivan: Een bijnadoodervaring met paranormale indrukken. Terugkeer, 15 (4), 19-21.
  • Rivas, T. (2006). Pam Reynolds: psi en een vlak EEG. Tijdschrift voor Parapsychologie, 73, 1, 10-13.
  • Smit, R.H. (2003). De unieke BDE van Pamela Reynolds (Uit de BBC-documentaire "The Day I Died"). Terugkeer, 14 (2).
  • Woerlee, G. M. (2005). Mortal Minds: The Biology of Near-Death Experiences. Prometheus.
Dit artikel werd gepubliceerd in Terugkeer, 17(2), voorjaar 2006, 8-10. Zie ook: Some comments on the REM state intrusion hypothesis for NDEs by Kevin Nelson

Contact: titusrivas@hotmail.com

Gebruikte steekwoorden
bijnadoodervaring, paranormaal, vlak eeg, uittreding, kevin nelson, bde, rem state intrusion, veridieke waarnemingen
printversie
auteur mailen
sluiten