In dit hoofdstuk leg ik uit hoe koppelingen tussen informatie tot stand komen op basis van overeenkomstigheid en wat het verband is met en tussen gevoelens en verlangens. ">



Titel
Hoe werkt het bewustzijn?
Geplaatst door
Pieter Voorhans
Samenvatting
In dit hoofdstuk leg ik uit hoe koppelingen tussen informatie tot stand komen op basis van overeenkomstigheid en wat het verband is met en tussen gevoelens en verlangens.
Tekst

HOOFDSTUK 1

DE GRONDBEGINSELEN

In dit hoofdstuk ga ik proberen uit te leggen wat het verband is tussen de simpele experimenten van het behaviorisme en de, op het eerste gezicht, meer complexe wijze waarop ons menselijk denken en gedrag tot stand komt.

Kenmerkend voor de experimenten en de leer van het behaviorisme is een vorm van straf of beloning die volgt nadat het gewenste dan wel ongewenste gedrag vertoond wordt. De frequentie van dit gedrag zal hierdoor in de regel toenemen wanneer het positief bekrachtigd (beloond) wordt en afnemen wanneer het negatief bekrachtigd (bestraft) wordt. Door een rat steeds te belonen met voedsel wanneer deze (toevallig) een hendeltje overhaalt zal hij dit gedrag gaan herhalen, waardoor je hem dus kunt leren om steeds dat hendeltje over te halen.

We zien hierbij dat de opeenvolging van de handeling en het direct daarna verkrijgen van voedsel zorgt voor een koppeling tussen de handeling en het voedsel (de beloning). Ten grondslag aan deze koppeling ligt dus niet alleen de beloning in de vorm van voedsel, maar ook het minieme tijdsverschil tussen het uitvoeren van de handeling en het verkrijgen van dat voedsel. Een tijdsverschil dat gemakkelijk overbrugd wordt door het geheugen van de rat zolang het beperkt blijft tot enkele seconden, hetgeen echter veel moeilijker wordt naarmate het tijdsverschil tussen handeling en bekrachtiging groter wordt, waardoor de koppeling dus minder snel tot stand zal komen.

Koppelingen tussen informatie komen tot stand op basis van een overeenkomst, in dit geval

dus op basis van een overeenkomst in tijd, gevormd door de gelijktijdigheid, of korte opeenvolging, van de handeling en het verkrijgen van de beloning. Naast een overeenkomst in tijd is er de mogelijkheid van een overeenkomst in uiterlijke verschijning. Daarmee bedoel ik dat dingen die op elkaar lijken eerder aan elkaar gekoppeld zullen worden dan zaken die weinig gemeen lijken te hebben. Ook in ons voorbeeld hebben we hier al mee te maken, aangezien er de tweede keer dat de rat het hendeltje overhaalt identiek hetzelfde gebeurt als na de eerste keer, en bij de derde keer weer. Zo wordt de rat dus in staat gesteld om deze afzonderlijke ervaringen relatief eenvoudig aan elkaar te koppelen op basis van hun onderlinge gelijkenis, waardoor de koppeling al na enkele ervaringen een vaste vorm begint aan te nemen.

Willen we het de rat iets moeilijker maken op dit gebied dan zouden we het hendeltje kunnen vervangen door een knopje waarop gedrukt moet worden, waardoor er dus plotseling een iets andere handeling vereist is, of we zouden haar (na de eerste paar keren) pas voedsel kunnen geven na elke drie keer dat er op het knopje gedrukt wordt. Hoe meer diversiteit we aanbrengen hoe langer het zal duren voor de koppeling tot stand komt, maar ook hoe meer de rat hier rekening mee zal gaan houden en hoe creatiever zij zal worden, naar mijn idee. Op die manier wordt het dus wel steeds gemakkelijker om de rat iets nieuws aan te leren, zeker wanneer dit voortborduurt op reeds bestaande kennis (koppelingen).

Zonder de bekrachtiging van bepaald gedrag via straf of beloning is het echter geheel niet mogelijk om de rat iets dergelijks aan te leren, gewoonweg omdat haar dan de motivatie hiertoe ontbreekt. Door het indrukken van de knop te koppelen aan het krijgen van eten, verkrijgt deze handeling de betekenis van eten, en eten verkrijgt zijn betekenis weer doordat het gekoppeld is/wordt aan het onprettige gevoel van honger en/of aan de prettige sensaties die het eten van voedsel met zich meebrengt, zoals de lekkere smaak van het eten en het verdwijnen van het hongergevoel mocht dat er zijn. Zintuiglijke informatie krijgt eigenlijk pas een betekenis wanneer deze aan gevoelsmatige informatie gekoppeld wordt en is van nature neutraal, om het zo maar te zeggen. Een uitzondering hierop zijn bepaalde geuren, die wel direct een onprettig gevoel (van walging en afkeer) teweeg kunnen brengen.

Feitelijk zijn ook de pijn- en allerlei andere receptoren in onze huid en de rest van ons lichaam een vorm van zintuigen, alleen worden die hier bij de klassieke indeling niet toe gerekend. We noemen dit de gevoelens, maar eigenlijk zijn het zintuigen die ons (op niet mis te verstane wijze) informeren over het wel en wee van de binnenwereld, in plaats van over de buitenwereld zoals de klassieke zintuigen dat doen.

Doordat gevoelsmatige informatie en zintuiglijke informatie gelijktijdig optreden wordt de binnenwereld aan de buitenwereld gekoppeld en daarmee wordt deze van gevoelsmatige betekenissen voorzien. Niet alleen wordt zo gevoelsmatige informatie gekoppeld aan zintuiglijke informatie, maar ook wordt de informatie van de verschillende zintuigen onderling automatisch gekoppeld op basis van hun gelijktijdige optreden. Zo wordt bijvoorbeeld het geluid dat iets maakt of de geur die het verspreidt automatisch gekoppeld aan het beeld daarvan.

Informatie krijgt dus betekenis doordat het gekoppeld wordt aan andere informatie, waarbij de koppeling met gevoelsmatige informatie het meest betekenisvol is, aangezien gevoelens een prettige dan wel onprettige sensatie teweeg brengen, hetgeen feitelijk de oorsprong is van alle betekenissen die aan informatie kan worden toegekend. Zo kun je een rat niets leren zonder hier gevoelsmatige informatie bij te betrekken omdat de informatie die je haar voorschotelt dan zo goed als betekenisloos zal blijven. Informatie die wel verbonden is met een gevoel (ofwel een verlangen) wordt min of meer automatisch opgepikt, zoals de hond van Pavlov hem demonstreerde terwijl hij onderzoek deed naar de spijsvertering. Hiertoe tapte hij al het speeksel bij de hond af, om te zien welke gevolgen dit zou hebben voor diens spijsvertering. Zo ontdekte hij echter dat de hond al veel eerder begon te kwijlen dan hij verwacht had, namelijk al bij het zien van de medewerker die hem normaal het voedsel bracht, ook al was er verder nog helemaal geen eten in zicht. Pavlov realiseerde zich dat hij deze medewerker kon vervangen door om het even welk signaal en leerde de hond te gaan kwijlen op het geluid van een metronoom, maar dat was dus na dat deze zichzelf als het ware al geleerd had wie degene is die hem het voer brengt. Een subtiel verschil weliswaar, maar toch.

Wat de hond van Pavlov mij/ons echter vooral demonstreert met zijn kwijlen, is dat diens verlangen naar eten enorm toeneemt op het moment dat hij in de gaten krijgt dat er (wellicht) eten op komst is. Lag hij zo-even nog rustig voor zich uit te staren, nadat het signaal geklonken heeft raakt hij vervult van de gedachte aan eten en heeft nergens anders meer oog voor. Ongeduldig ziet hij toe op de vorderingen die er ten aanzien van het eten gemaakt worden terwijl het mondvocht al rijkelijk uit zijn bek begint te stromen.

“Ja maar dat is zijn instinct” hoor je dan vaak roepen, wanneer het om dierlijk gedrag gaat, alsof dat iets verklaart en/of alsof het geluid van een metronoom hier naadloos valt in te passen. Voor mij is het een aanwijzing dat de menselijke en de dierlijke geest lang niet zoveel van elkaar verschillen als vaak wordt aangenomen, hetgeen overigens ook weinig verwondering zou mogen wekken bij al degenen die in de evolutietheorie geloven. Wie zelf een hond heeft die weet natuurlijk allang dat diens gedrag en leervermogen heel wat menselijke trekjes vertoont, maar goed, terug naar de uiteenzetting van de grondbeginselen der psychologie.

We zagen dus dat het verlangen van de hond naar eten, werd aangewakkerd door diens overtuiging (aan de hand van een waarneming) dat er weldra eten zal komen. Hetgeen men aanziet voor de waarheid en hetgeen men verlangt gaan dus in zekere zin hand in hand en liggen in elkaars verlengde. Het verlangen conformeert zich naar hetgeen men aanziet voor de waarheid en hetgeen men aanziet voor de waarheid heeft de neiging om zich aan te passen aan het verlangen, zoals we zien in het geval van partijdigheid en belangenverstrengeling, waarbij er gemakkelijk zelfdeceptie kan optreden.

Ten grondslag aan het ontstaan van onze overtuigingen (waarheden) ligt de koppeling van informatie op basis van overeenkomstigheid, waarbij de hamvraag uiteindelijk is of de overeenkomsten (en verschillen) die we denken dat er zijn tussen bepaalde informatie, er in werkelijkheid ook zijn. Dit bepaalt namelijk het waarheidsgehalte van onze overtuiging(en), en wie wil er nu niet gelijk hebben?

Ten grondslag aan onze verlangens liggen onze gevoelens. Maar de hevigheid van een verlangen wordt niet enkel bepaald door de hevigheid van een optredend gevoel. Natuurlijk, iemand die erge pijn heeft wil hier zo snel mogelijk vanaf en kan aan niets anders denken, iemand die honger lijdt of vreselijke dorst heeft wil zo snel mogelijk eten of drinken en iemand die dreigt te stikken wil zo spoedig mogelijk weer lucht kunnen happen. Maar verlangens zijn ook actief wanneer er niet direct een optredend gevoel mee gemoeid is. Zij geven betekenis aan zintuiglijke informatie zoals gevoelens dat doen en zij vormen de grondslag voor het optreden van emoties. Zonder verlangen geen emotie en hoe groter het verlangen hoe groter de emotionele betrokkenheid, om het zo maar even te noemen. Verlangens bewegen mee met de realiteit, dan wel hetgeen men (slechts) aanziet voor de waarheid, waarbij het feitelijk onze emoties zijn die meebewegen en daarmee onze stemming bepalen. Denk bijvoorbeeld aan de plotselinge rusteloosheid van de hond van Pavlov nadat het signaal geklonken heeft en stel je ook eens voor wat er gebeurt wanneer deze hond nu eens geen eten meer krijgt na het teken en zie hoe zijn zekerheid langzaam plaats zal gaan maken voor twijfel en zijn opwinding voor gemoedsrust.

Het (neurologische) verschil tussen gevoelens en emoties is dat gevoelens, evenals de klassieke zintuigen, deel uitmaken van het sensibele zenuwstelsel en veroorzaakt worden door een prikkeling van deze zenuwen, terwijl emoties opgewekt worden door geestelijke processen. Hierover later meer.

Ons zenuwstelsel is onderverdeeld in het autonome of vegetatieve zenuwstel, en het animale zenuwstelsel. Het autonome zenuwstelsel regelt de werking van inwendige organen en het animale zenuwstelsel is het deel dat zorgt voor (zintuiglijke) waarneming en beweging. Het animale zenuwstelsel bestaat uit aanvoerende zenuwbanen en afvoerende zenuwbanen, waarbij de aanvoerende banen zorgen voor de aanvoer van sensorische informatie (prikkels) naar het centrale zenuwstelsel (het bewustzijn) toe en via de afvoerende banen worden opdrachten die vanuit het bewustzijn komen naar de spieren in ons lichaam verzonden.

In den beginne, voordat er sprake was van een bewustzijn, was er waarschijnlijk een directe verbinding tussen het sensorische en het motorische zenuwstelsel, waarbij de prikkeling van het sensorische deel direct een prikkeling van het motorische deel tot gevolg had. Ongeveer zoals een mossel die zijn schelp sluit wanneer je er tegenaan tikt of een kokerworm die bij het minste of geringste gevaar terug in zijn koker vlucht. We noemen dit reflexen, waarvan de kniepeesreflex bij de mens een mooi voorbeeld is.

Met het ontstaan van geheugen, werd de mogelijkheid geschapen dat sensorische informatie eerst aan dit geheugen wordt voorgelegd en er vervolgens een beslissing genomen wordt over hoe te handelen. Het is via de gedachte dat uiteindelijk de (juiste) informatie naar de spieren verzonden wordt.

De gewaarwording van zintuiglijke informatie vindt plaats in de sensorische hersenschors en de controle (van het bewustzijn) over de spieren geschiedt via de motorische hersenschors. Hierbij zijn er specifieke gebieden aan te wijzen die corresponderen met specifieke zintuigen en spiergroepen.

Hoe of waar informatie onthouden wordt is vooralsnog onbekend, maar ik vermoed dat hier dezelfde neuronen bij betrokken zijn. Neuronen die naast hun reguliere functie dus tevens beschikken over een geheugenfunctie, bijvoorbeeld in het cytoplasma van deze cellen. Ook motorische hersenschors zou daarmee over een geheugenfunctie kunnen beschikken, waardoor complexe handelingen na enige tijd routinematig (zonder er nog al te veel bij hoeven na te denken) kunnen worden uitgevoerd.

De gewaarwording van informatie uit het geheugen vindt plaats via de gedachtestroom en de gedachtestroom beweegt zich voort aan de hand van associatie. Associatie geschiedt aan de hand van overeenkomstigheid, bijvoorbeeld op basis van de overeenkomsten tussen een actuele waarneming en soortgelijke informatie in het geheugen, waardoor actuele informatie dus wordt verbonden met overeenkomstige informatie uit het verleden en daarmee ook met de verbindingen die in het verleden zijn aangelegd. Dit geeft betekenis aan actuele informatie en wordt interpretatie genoemd. Zonder interpretatie blijft waargenomen informatie min of meer betekenisloos en wordt feitelijk niet eens opgemerkt.

Het vermogen tot (precieze) associatie staat aan de basis van onze mentale vermogens. Hiermee bedoel ik dat het gemakkelijker is om identieke informatie met elkaar te verbinden dan informatie die naast overeenkomsten ook verschillen vertoont. Door de (soms minieme) overeenkomsten op te merken wordt het desalniettemin toch mogelijk om informatie die van elkaar verschilt met elkaar in verband te brengen, om zo eventueel toch de juiste conclusies te kunnen trekken. Bij het associëren maakt het bewustzijn min of meer automatisch of onbewust gebruik van de in het geheugen aanwezige kennis die verkregen is uit eerdere ervaringen met soortgelijke informatie. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een computer, die steeds weer dezelfde stappen moet doorlopen om tot een bepaalde uitkomst te komen.

De stromingen binnen de psychologie die zich bezighouden met de aanleg van verbindingen tussen informatie zijn het connectionisme en het cognitivisme, waarbij het connectionisme zich vooral lijkt te concentreren op de neurologie (neurologica) achter dit verschijnsel, terwijl het cognitivisme haar heil lijkt te zoeken (of heeft gevonden) in taalkundige analyses o.l.v. Noam Chomsky.

Zelf ben ik geneigd te denken dat de neurologie ons niet veel wijzer gaat maken over ons innerlijk functioneren dan we al zijn, mede omdat we er wellicht nooit achter zullen komen hoe het fysiologisch gezien mogelijk is dat onze lichaamscellen zoiets complex als geheugen en gedachten kunnen voortbrengen. Taalkundige analyses gaan naar mijn idee ook niet veel helpen om het raadsel te ontsluieren, mede omdat de taal slechts een hulpmiddel is van de geest en niet de kern. De kern van ons geestelijk functioneren wordt mijns inziens gevormd door het werken met overeenkomsten en verschillen tussen informatie, een werkwijze waarover ik het in het volgende hoofdstuk wil gaan hebben

Gebruikte steekwoorden
gevoelens, interpretatie, verlangens, overeenkomsten, verschillen, overtuiging
printversie
auteur mailen
sluiten